Het busje verf

“Ik wil een klein busje witte verf,” zei meneer Ratti tegen de verkoper.

“De verf staat links, tussen de kwasten en de lijm, meneer.”

“Nou en? Haal het dan voor me.”

“Dit is een zelfbedieningszaak, meneer.”

“Bedoel je soms dat ik het zelf moet pakken?”

“Inderdaad meneer.”

“Daar begrijp ik niets van,” mopperde meneer Ratti, terwijl hij naar het rek met verf liep. “Wat doet die kwast hier dan?”

Hij keek naar de rijen verfbussen met hun gekleurde deksels. Van wit tot zwart, van geel tot blauw, van rood tot groen, en al die kleuren daartussen: citroengeel, zuurstok-roze, hemelsblauw, vuurrood, zeegroen, kaneelbruin... En er gebeurde wat er altijd gebeurde wanneer meneer Ratti iets mooi vond: het water liep hem in de mond en hij zei, handenwrijvend: “Oei oei oei...”

Oude verfkwasten had hij genoeg. Maar zo'n verzameling gave, glanzende, volle verfbussen, die vond je nooit op straat. Zoiets gooiden de mensen nooit weg. Hij zou het hele rek wel willen hebben, al die honderden bussen en busjes.

“Desnoods van iedere kleur eentje...”

Meneer Ratti liet zijn hand zachtjes over de gele busjes glijden. Hij gaf een paar klopjes op een grote bus zwarte verf en streek over de busjes met roze en lila en paars.

“Hee meneer, wat doet u daar?” riep de verkoper. “Het is hier geen kinderboerderij!”

“Ik ben op zoek naar dat kleine busje witte verf.”

“Dan zoekt u wel erg eigenaardig, meneer. Dat klinkt mij een beetje te veel naar dieventaal.”

“Ts... Niet zo brutaal, jonge kwast. Je hebt het tegen een man die zo goed als blind is. Ik voelde of de kleur en de prijs er in braille op stonden.”

“Neem me niet kwalijk,” zei de verkoper geschrokken. “Had u dat maar gelijk gezegd. Ik zal u helpen.”

Hij schoot op het rek af en overhandigde meneer Ratti een busje witte verf.

Zonder ernaar te kijken, woog meneer Ratti het busje in zijn hand en zei: “Ik heb gevraagd om een klen busje verf.”

“Dit is het kleinste busje dat we hebben, meneer. Het is net genoeg voor drie vierkante meter.”

“Dat is veel te veel! Ik heb maar een heel klein beetje nodig. Het is maar voor een paar streekjes met een klein kwastje... En wat moet zo'n busje een arme man als ik wel niet kosten?”

“Vijf gulden, meneer.”

“Ts... Vijf hele guldens? Wat is dit voor een zaak? Zeker voor rijke mensen. Nou, dan hebben jullie vast wel een oud busje over dat niemand wil kopen omdat het een beetje geroest of gedeukt is.”

“Het spijt me meneer, maar dat hebben we niet.”

“Ook geen oud busje dat een beetje is leeg gelopen?”

De verkoper wist niet goed wat hij moest denken van die oude man in zijn lange zwarte jas. Die arme man die bijna blind was en die zo ver voorover gebogen op zijn wandelstok leunde, dat zijn gezicht onder zijn hoed schuilging.

“Weet u wat,” zei hij, “betaalt u maar een rijksdaalder. Dan doe ik net of het oud is.”

“Ts... Een hele rijksdaalder voor een oud busje?!”

De verkoper slikte. “Goed goed, geeft u dan maar een gulden.”

Meneer Ratti peuterde twee kwartjes, drie dubbeltjes en drie stuivers uit zijn portemonnee.

“Hier, pak aan.”

“Dank u wel, meneer, en tot ziens.”

“Zei jij "tot ziens?' Tegen mij, een blinde man? Wat is dit voor een zaak?!”

Meneer Ratti stak zijn stok met de scherpe, ijzeren punt omhoog en riep kwaad: “Hele kleine busjes verf kan je hier niet krijgen! Terwijl ze wel kwasten hebben met hele kleine hersentjes! Het is een schande!”

Hierna hield hij als een blinde man zijn stok voor zich uit en liep, voetje voor voetje, de zaak uit.

(wordt vervolgd)