Hebzucht

Enige tijd geleden zag ik in de woonkamer van een bevriende kunsthandelaar een schilderij hangen, dat mij met een schok trof als buitengewoon mooi. Het overkomt mij niet zo vaak dat een schilderij een heftige emotie bij me oproept, maar dit keer was het raak: een plotselinge ontroering, gecombineerd met een vreemde prikkeling van genot. Sommige mensen beginnen in zo'n geval te spinnen of te knorren, of zij voelen het tintelen in hun tenen, maar bij mij is het een soort slikken dat nog het meest te vergelijken is met het diep inhaleren van de eerste ochtendsigaret op de nuchtere longen.

Het was een vrouweportret. De vrouw glimlachte ironisch. Door haar vrolijk toegeknepen ogen en haar sensuele mond straalde zij iets uit van wat een halve eeuw geleden nog ondeugend of misschien zelfs wulps werd genoemd, een uitdrukking die nog werd versterkt door een boa van veren die om haar schouders was gedrapeerd. Om het beeld te vervolmaken droeg zij schuin op het hoofd een blauw hoedje met een zwart lint.

In eerste instantie deed de vrouw mij denken aan mijn moeder, zoals ik haar kende van een foto die gemaakt was in een tijd dat ik nog niet bestond. Mijn ouders zijn in 1946 getrouwd. Zij kwamen met niets uit de Oorlog, dus leende mijn moeder een hoedje en iets van veren dat op een boa leek. Zo is zij door een fotograaf vastgelegd, terwijl zij aan de arm van mijn vader op het bordes van het stadhuis staat.

In een opwelling zei ik tegen de kunsthandelaar dat ik het schilderij wilde kopen. “Kijk eerst eens van wie het is”, antwoordde hij. Rechts onderin vond ik de handtekening: Francis Picabia. Het was een echte Picabia! Ik vroeg de kunsthandelaar wat het doek moest kosten en hij noemde een bedrag dat ongeveer overeen kwam met mijn jaarinkomen, bruto wel te verstaan. “Zelf heb ik het indertijd voor nog geen vierduizend gulden gekocht, maar de laatste jaren is de prijs van dit soort Picabia's omhoog geschoten”, zei de kunsthandelaar er fijntjes bij. Er was geen sprake van dat ik het schilderij zou kunnen kopen en tamelijk mismoedig ging ik naar huis.

Maar de volgende dag werd er gebeld. Voor de deur stond de kunsthandelaar en hij droeg de Picabia onder de arm. Hij zei te begrijpen dat ik nooit in staat zou zijn het portret te betalen, maar hij wilde het mij voor onbepaalde tijd op zicht geven. Op die manier zou ik er voorlopig van kunnen genieten, en wie weet, een onverwachte erfenis of een prijs in de loterij zou mijn financiële situatie plotsklaps kunnen verbeteren.

We zochten een mooie plek voor het schilderij en vanaf dat ogenblik brandde er, in een felle gloed, een Picabia aan mijn muur. Het is met een doek van een groot schilder als met een filmster of een andere beroemdheid: de roem die afstraalt heeft een enorme aantrekkingskracht. 's Ochtends vroeg stond ik al voor het portret en na elke werkdag snelde ik naar huis om het nog bij het daglicht te kunnen bekijken. Vrienden en kennissen kwamen van heinde en verre om mijn nieuwe aanwinst te bewonderen, maar het belangrijkste van alles was misschien nog wel dat ik mij voor het eerst in mijn leven werkelijk volwassen voelde, want nog nooit had ik verantwoordelijkheid gedragen voor zo'n kostbaar voorwerp.

Intussen probeerde ik de geschiedenis van het doek na te trekken. Het was geschilderd in 1941 toen Picabia in Algiers woonde. Voor Franse officieren maakte hij portretten, die min of meer als veredelde pin-ups bedoeld waren. Mogelijk heeft Picabia voor het portret dat ik in huis had één van zijn vriendinnen als model gebruikt. Picabia's echtgenote Olga heeft later wel eens beweerd dat een aantal portretten uit die periode vervalsingen waren, maar al spoedig kwam uit dat dit het oordeel was van een jaloerse vrouw, die niet kon verdragen dat Picabia ook was geïnspireerd door concurrentes.

Hoe meer kennis ik verzamelde hoe meer het schilderij op mijn hebzucht begon te werken. Ik rekende uit dat ik het zou kunnen kopen als ik vier jaar lang afstand zou doen van elke luxe en slechts op water en brood zou leven. De auto moest worden verkocht, vakanties opgeofferd, maar dat was het waard. Alleen mijn vriendin vond het niet zo'n goed idee. Een bezoek aan een bank leerde vervolgens dat ik het bedrag zou kunnen lenen, maar in dat geval zou de rente zo wurgend zijn dat ik 23 uur per dag zou moeten werken om alles terug te verdienen. Dat vond ik zelf niet zo'n goed idee.

Niettemin waande ik mij, naarmate de tijd verstreek, steeds meer de bezitter van het schilderij. Maar op een dag stond de kunsthandelaar voor mijn deur. Hij had een koper voor het doek gevonden en wilde het meenemen. Ik bezwoor hem dat mijn pogingen om het geld bijeen te brengen inmiddels in een vergevorderd stadium waren beland en ik vroeg hem om enig geduld. Maar een paar maanden later stond die vent alweer voor mijn deur. Hij kwam zei hij, niet alleen iets halen, maar ook iets brengen. Speciaal voor mij had hij een kopie laten maken. Hij haalde het origineel van de muur en zette het niet zonder trots naast de kopie. De gelijkenis was inderdaad verbluffend. Zelfs de handtekening was volmaakt nagebootst. Tandenknarsend bedankte ik de kunsthandelaar voor zijn begripvolle geste en hing de kopie op de plaats waar vroeger het origineel had gehangen.

Hoe perfect gekopieerd ook, het leven is niet meer zoals vroeger. Als dit ding in brand vliegt, zal niemand erom treuren.

Vorige week kwam ik de kunstenaar op straat tegen. Ik vroeg hem wat er met het origineel was gebeurd. Verkocht, zei hij, aan een grote beleggingsmaatschappij. Hij had het schilderij er zelf naartoe gebracht. Daar was het in een kluis gezet. De nagalm van kluisdeuren die gesloten worden, klonken hem nog in de oren. “Die krijg je nooit meer te zien”, zei hij opgewekt, “want het is als met de schatten van het Vaticaan. Sinds de veertiende eeuw worden daar de mooiste kunstwerken opgeborgen. Alleen als je je oor tegen de meters dikke muren legt, kun je heel in de verte horen hoe die schilderijen om hulp schreeuwen.”