Gemiste kans

HET SCHEEN EEN mooie gelegenheid. De staats- en regeringsleiders van de Europese Gemeenschap waren voor hun halfjaarlijkse ontmoeting bijeen in Luxemburg. Het nieuws werd beheerst door de gevechten tussen het Joegoslavische leger en de territoriale verdediging in de republiek Slovenië. De EG voelde zich er gereed voor op die vrijdag, de 28ste juni.

De ambtenaren van de twaalf lidstaten werkten al geruime tijd aan de teksten die eind dit jaar in Maastricht de Gemeenschap per verdrag op een hoger niveau van politieke, economische en monetaire samenwerking moeten tillen. De mogelijkheid om die samenwerking via bemiddeling in de Joegoslavische crisis experimenteel gestalte te geven was te aantrekkelijk om ongebruikt voorbij te laten gaan. Bovendien, had de Amerikaanse bondgenoot niet duidelijk gemaakt dat het nu Europa's beurt was om de leiding te nemen bij het zoeken van een oplossing? Het hoge gezelschap besloot zijn voorzitter, drie dagen later was dat Nederland, hiermee te belasten.

Al spoedig bleek dat de eensgezindheid van de Twaalf niet verder ging dan het doel de vrede te herstellen en te bewaren. Over de weg daarheen ontstond onmiddellijk verschil van mening: de meeste lidstaten, met Frankrijk als kern, spraken zich uit voor het behoud van de Joegoslavische federatie, de Bondsrepubliek wenste erkenning van Slovenië en Kroatië, de twee republieken die zich onafhankelijk hadden verklaard. Het voorzitterschap wist Slovenen en Kroaten er bij gelegenheid van de eerste ontmoeting toe te bewegen hun onafhankelijkheid gedurende drie maanden te bevriezen. Het boekte daarmee tijdwinst en volgens het leerstuk van de diplomatie dus een opvallend succes - maar van dat moment af was van een als onpartijdig ervaren bemiddeling geen sprake meer.

TWEEËNEENHALVE maand en een burgeroorlog in Kroatië later is er van het Europese elan niets meer over. De rollen zijn omgedraaid. De twaalf ministers van buitenlandse zaken, gisteren in Den Haag bijeen om de rapportage van afgezant Lord Carrington aan te horen, rest nog slechts de hoop dat de Joegoslaven op eigen kracht tot een bestand komen. In dat geval ontstaat immers voor de Gemeenschap weer enige ruimte. De al aanwezige waarnemers kunnen dan op pad worden gestuurd om het bestand te controleren. En, als de verschillende Joegoslavische partijen er mee instemmen, kunnen bewapende lijfwachten worden overgevlogen die de waarnemers tegen incidentele gevallen van geweld moeten beschermen. De Europese bemiddeling zou op die manier alsnog het gezag kunnen verwerven die er tot dusver aan heeft ontbroken. Maar de Twaalf staan nagenoeg met lege handen wanneer het erom gaat die mogelijkheid dichterbij te brengen.

DE GANG van zaken kan niet zonder gevolgen blijven voor de plannen om een gemeenschappelijke buitenlandse- en veiligheidspolitiek te smeden. Papier is geduldig en het is niet verboden te blijven proberen. Maar de praktijk is niet hoopgevend gebleken. De Gemeenschap heeft gegokt en staat op het punt te verliezen. Dat is triest voor Joegoslavië en er dreigt een gemiste kans voor heel Europa.