Eenduidige richtlijnen voor militair ingrijpen ontbreken; Handvest van de Verenigde Naties is richtinggevend

Nog geen half jaar geleden ventileerde de secretaris-generaal van de WEU, dr. W. van Eekelen, in het Scheveningse Kurhaus enkele ideeën over een eventuele inzet in Oost-Europa of de Balkan van militaire eenheden behorende tot de lidstaten van de WEU. Hij dacht hierbij onder meer aan de bescherming of evacuatie van eigen onderdanen. Ook hield hij zijn gehoor de vraag voor wat het antwoord van West-Europa zou moeten zijn op genocide in deze regio.

De overgrote meerderheid van de aanwezige Nederlandse veiligheidselite reageerde terughoudend en beschouwde de proefballonnetjes van de inleider als een "non starter'. Ruim een maand later hield François Heisbourg, de directeur van het International Institute for Strategic Studies, in het Haags Gemeentemuseum in een betoog over een nieuwe Europese veiligheidsstructuur, zijn gehoor soortgelijke ideeën voor. Zo sloot hij niet uit dat bij hevige onlusten in Joegoslavië, met bloedige pogroms in Macedonië, Kosovo of Vojvodina, buurlanden zoals Albanië, Bulgarije of Hongarije zich wel eens in de strijd zouden kunnen mengen. Onder zulke omstandigheden, aldus Heisbourg, zou het wel eens noodzakelijk kunnen zijn dat Westeuropese landen, zo mogelijk met een mandaat van de Verenigde Naties, op een zelfde wijze als in Koerdistan moeten gaan opereren. Wat enkele maanden geleden nog als theoretische bespiegelingen werd afgedaan, is inmiddels bijna al realiteit.

Bij de mogelijke inzet van een WEU-vredesmacht in Joegoslavië passen echter enkele kanttekeningen. Aan een aantal belangrijke voorwaarden voor een vredesoperatie wordt immers niet voldaan.

In de eerste plaats is er geen sprake van een daadwerkelijke naleving van een bestand. De geschiedenis leert dat een vredesmacht die in een conflict verzeild raakt, in plaats van de oplossing zelf een deel van het probleem kan worden. De ervaringen met de Multinational Force (MNF) in Beiroet in het begin van de jaren tachtig, zijn hier een schrijnend voorbeeld van. Sterker nog: een vredesmacht die schiet om te doden is tot op zeker hoogte een contradictio in terminis. Bij vredesoperaties gaat het immers niet zozeer om de militaire effectiviteit, maar is primair de politieke betekenis van de aanwezigheid van de vredesmacht van belang. Vredesmachten gebruiken geweld alleen uit zelfverdediging.

Een andere voorwaarde van vredesoperaties waarbij men voor wat betreft de WEU-vredesmacht vraagtekens kan zetten, is die van de onpartijdigheid van de deelnemende landen. De houding van de diverse Westeuropese landen ten aanzien van het conflict in Joegoslavië is op zijn zachtst gezegd immers niet eenduidig.

Inmiddels is het door het aan de oppervlakte komen van etnische conflictstof in diverse Oosteuropese landen en op de Balkan hoog tijd voor een fundamentele discussie in Europa over de vraag in hoeverre en onder welke omstandigheden in de nabije toekomst een geweldadig ingrijpen geoorloofd kan zijn. Richtinggevend voor de beantwoording van deze vraag is uiteraard het Handvest van de Verenigde Naties. De algemene regel, neergelegd in artikel 2 lid 4, verbiedt het dreigen met of gebruik maken van geweld in de betrekkingen tussen staten. De uitzondering hierop is te vinden in artikel 51 van het Handvest dat het recht op zelfverdediging bij een gewapende aanval toekent.

In de recente geschiedenis hebben sommige landen eigen (niet erkende) uitzonderingen op geweldverbod van het Handvest gecreëerd. Zo verkondigde de Brezjnev-doctrine dat socialistische landen de broederplicht hadden desnoods gewapenderhand in te grijpen in een socialistisch land dat voor deze ideologie verloren dreigde te raken. De Amerikaanse tegenhanger, de Reagan-doctrine, proclameerde in zijn kruistocht voor democratie onder meer gewapende steun aan opstandelingen.

Deze uitzonderingen staan echter op gespannen voet met artikel 2 lid 7 van het Handvest, dat verbiedt om in te grijpen in aangelegenheden die tot de binnenlandse jurisdictie van een staat behoren. Een uitzondering op het verbod van geweld die formeel nooit is erkend maar waarvoor in de internationale juridische gemeenschap wel een groot draagvlak bestaat, is de humanitaire interventie. Het gaat hier om inbreuken op de fundamentele mensenrechten. In dit verband dient vermelding dat Oostenrijk in de Verenigde Naties een voorstel voor een amendement voorbereidt waarbij in het geval van ernstige schending van de mensenrechten, de Veiligheidsraad de bevoegdheid krijgt om in te grijpen. Het is echter de vraag of de vereiste twee-derde meerderheid van de Algemene Vergadering en een besluit van de Veiligheidsraad (inclusief de vijf permanente leden) wel haalbaar is. Los hiervan is vrijwel onomstreden de humanitaire interventie die gericht is op de bescherming van eigen onderdanen. Het klassieke voorbeeld hiervan is de Israelische militaire raid op het vliegveld van Entebbe in Oeganda in 1976 ter bevrijding van de gegijzelde Israelische passagiers van een vliegtuig van Air France. Deze Israelische actie wordt vaak aangehaald ter ondersteuning van het recht van een staat om eigen onderdanen die binnen de grenzen van een andere staat in doodsgevaar verkeren, te bevrijden. Meer omstreden is echter de vraag in hoeverre humanitaire interventie geoorloofd is ter bescherming van personen die geen onderdaan zijn van de interveniërende staat of staten. Ontwikkeling van nadere normstelling en een effectief instrumentarium ter naleving, is dringend gewenst, want de tijd dringt.