Een klein budget is nooit een excuus; Gesprek met regisseur Paul Ruven

Tijdens de Nederlandse filmdagen gaat Sahara Sandwich in première, een nieuwe film van Paul Ruven, met Jeroen Krabbé in een hoofdrol. De film, die bijna per ongeluk ontstond, is in drie dagen gedraaid: “Het is geen sport van mij om te kijken hoe snel ik een film kan maken. Ik ben gewoon heel praktisch.”

Paul Ruven kijkt me, nadat hij een paar vragen heeft beantwoord, met een enigszins gepijnigde gelaatsuitdrukking aan. “Maar betekent dat”, vraagt hij, “dat ik de rest van mijn leven vast zit aan het begrip minimal movies? Alsof dat een soort genre zou zijn? Ik heb er, puur bij toeval, twee gemaakt. Maar ik ben toch zogenaamd nog jong? Ik weet nog absoluut niet hoe ik verder ga, alleen dat ik niet van plan ben me te laten etiketteren.”

Het gesprek ging tot dat moment vooral over minimal movies. Hij regisseerde, op uitnodiging van Pim de la Parra, diens relatiekomedie Max & Laura & Henk & Willie en verraste dit voorjaar met het sfeervolle How to survive a broken heart - alletwee gemaakt met behulp van veel vrienden en kennissen, gebietste faciliteiten en budgetten die volgens gangbare begrippen volstrekt ontoereikend zijn. Vervolgens studeerde hij af aan de Filmacademie met de tot hilariteit leidende eindexamenproduktie De tranen van Maria Machita, veertig minuten geheel gezongen. En nu maakte hij in slechts drie dagen de opnamen voor zijn nieuwste film, Sahara sandwich, die tijdens de filmdagen in première gaat. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat ook hier van een minimal movie sprake is.

“Absoluut niet. Maria Machita gaat binnenkort in roulatie, maar is voor een hoofdfilm te kort. Er moest iets bij. Ik zei tegen de producent: ik zou iets kunnen schrijven dat in drie dagen te maken is. Een soort docu-detective over een psychiater die in een moordzaak betrokken raakt. Het was een idee dat ik nog had liggen en het liet zich vatten in een strak schema, omdat het zich vooral afspeelt in één ruimte. Die drie dagen waren dus het uitgangspunt; we hebben niet geprobeerd, zoals bij een minimal movie, om méér te doen dan eigenlijk mogelijk was. Het is ook absoluut geen sport van mij om te kijken hoe snel ik een film kan maken, in de verste verte niet. Ik ben gewoon heel praktisch - ik wist dat ik er drie dagen voor had. Dan moet je verder niet zeuren; als je bij McDonalds zit, is het onzin om te wensen dat je bij Schiller was.”

Paul Ruven (32, grijzend) ging Nederlands studeren, omdat dat een familietraditie was. Aan de universiteit van Nijmegen raakte hij in gesprek met de toenmalige filmdocent Eric de Kuyper en trad als edelfigurant op in diens vriendenkring-films. Omdat de Filmacademie hem afwees, wierp hij zich op de studie theaterregie: “Ik heb drie jaar lang repetities bijgewoond bij toneelgezelschappen. Daaraan heb ik het idee overgehouden, dat één op de tien voorstellingen fantastisch is en de andere negen gewoon slecht zijn. Ik herinner me een Dostojevski bij de Haagse Comedie, tamelijk saai, maar op een avond in Venlo, met een halflege zaal, zei één van de acteurs opeens: vanavond ga ik er iets van maken. Zulke momenten van begeestering, dan ben ik verkocht. Maar uiteindelijk heb ik tòch voor film gekozen; het mooie van film is dat je het kunt vastleggen op het moment dat het op zijn best is. Al die slechte ogenblikken kun je uitschakelen.”

Hij schreef tientallen scenario's (“zonder stil te staan bij enige budgettaire belemmering”) die door niemand werden geaccepteerd. Ze liggen allemaal nog bij hem thuis. “Ik heb wel scènes uit sommige scripts in films van anderen gezien, die zijn dus onbruikbaar geworden.”

Verhalen vertellen is, zegt hij, het leukste wat bestaat: “Je zit achter de typmachine en je ontdekt na verloop van tijd dat er altijd iets komt. Wat een writer's block is, weet ik niet. Ik kijk heel veel naar trash-films en ik lees pulp, dat geeft goede aanzetten om zelf iets beters te bedenken.”

Hij fungeerde als anoniem script doctor, om andermans scenario's spannender te maken, maakte een jongerenprogramma bij de VARA en volgde in Los Angeles een studie scenario en televisieregie. Ondanks al die ervaring meldde hij zich toch weer bij de Filmacademie aan, waar de toelatingseisen intussen waren verruimd. Hij had daar een goede reden voor: hij wilde De tranen van Maria Machita maken. “Dat was een oude droom van me, maar het was heel moeilijk om het idee zodanig op papier te zetten dat een Filmfonds er geld voor zou geven. Het zou, dacht ik, alleen mogelijk zijn dat idee uit te voeren in het kader van een eindexamenfilm.”

Drie jaar studeren met louter het doel van die ene film voor ogen?

“Ja, eigenlijk wel. Maar zo zwaar is die studie niet, je kunt er genoeg naast doen. En terwijl ik op die academie zat, vroeg de heer De la Parra me voor een film. Hij heeft de minimal movie bedacht om continuïteit in de Nederlandse film te creëren en veel mensen de kans te geven op praktijkervaring. Verder vind ik eigenlijk dat het publiek er niets mee te maken heeft hoe veel of hoe weinig geld er voor een film was. Hij werkt of hij werkt niet, zo simpel is het. Je hebt er toch óók niets mee te maken wat Omar Sharif precies dacht toen dat shot van hem in Dr Zhivago werd gemaakt? Als dat shot maar werkt. Je moet het beperkte budget niet als excuus gebruiken voor het feit dat sommige dingen niet zijn gelukt.”

Dat gebeurt wel.

“Nou ja, goed, ik ga niemand van die beweging afvallen. Als de heer De la Parra er niet geweest was, had ik die eerste films nooit kunnen maken. Dat is zijn verdienste. Maar ik vind de minimal movie geen levenswijze.”

En hoe nu verder?

“Ik zou het heel saai vinden om al te weten wat ik volgend jaar doe. Bovendien klinkt alles wat je daarover zegt, al gauw zo pretentieus. Film is samenwerken, ik ben niet iemand die zegt: het moet per se zó. Als de man van de broodjes met een goed idee komt, wil ik dat gebruiken. Ik geloof niet erg in het auteurschap van een film. De cameraman maakt betere shots dan ik kan verzinnen. Nee, dat is geen bescheidenheid. Dat is gewoon de waarheid.”