Een keverleven

Een kever zat zich te bezinnen In een tuin in Bergen-binnen: In Bergen-buiten is misschien Voor jonge kevers veel te zien; Misschien neemt iemand mij wel mee De stad uit naar de boulevard aan zee.

Hij ging toen langs de rijweg staan En zie, daar kwam een auto aan; De kever zwaaide, en ja heus, De auto stopte voor zijn neus; 't Was, zag hij met een huivering Een auto van de zuivering!

De kever vreesde voor zijn leven, Want op de laadbak stond geschreven: Wij nemen kevers, kakkerlakken, Snel en genadeloos te pakken. Hij wist, toen hij dit had gelezen, Haast niet hoe vlug hij weg moest wezen.

Hij verborg zich in het gras, Waar hij voorlopig veilig was, Toch deed dit voorval hem besluiten Niet door te gaan naar Bergen-buiten: Ik heb het geprobeerd, maar waarlijk, Het leven is daar te gevaarlijk.

Zo kwam hij in zijn tuin terug En dacht: het leven gaat zo vlug, Daarstraks was ik nog jong en blij, Nu is het alweer haast voorbij; Nog een dag of vijf misschien, En ik heb nooit de zee gezien!

Maar als je als kever wordt geboren Is je weinig tijd beschoren; Daarom betrok hij zonder morren Een verzorgingsflat voor torren. Daar zag hij stil het leven aan Totdat zijn hartje stil bleef staan.

- Heb je nou die ouwe beer weer tevoorschijn gehaald? vroeg haar moeder.