Een dubbelzinnig parcours; Fortuyn-O'Brien in het Stedelijk Museum in Amsterdam

Vanaf 1983 maakte Irene Fortuyn samen met haar echtgenoot Robert O' Brien kunstwerken onder de naam Fortuyn-O'Brien. Na het overlijden van O'Brien in 1988 besloot Fortuyn haar werk onder dezelfde naam voort te zetten. Op de expositie "Marblepublic' in het Stedelijk Museum in Amsterdam blijkt zij in staat om alleen op te treden. Haar objecten gaan over illusies: “Het is onmogelijk te zeggen of we hier kijken naar een stuk behang of naar een stuk avondhemel.”

-Fortuyn-O'Brien: Marblepublic. Overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Tot 3 november. Geopend: dagelijks 11-17 uur. Catalogus, 140 blz., illustraties in kleur. Prijs ƒ 75,- gedurende de tentoonstelling, na de tentoonstelling ƒ 90,-. -Een andere tentoonstelling van Fortuyn-O'Brien, getiteld "Souvenir', is tot 10 oktober te zien in galerie The Living Room, Laurierstraat 70, Amsterdam. Geopend di t-m za 14-18 uur.

Een van de werken op de overzichtstentoonstelling van Fortuyn- O'Brien is getiteld Pour ceux qui ont essayé (1986). Het bestaat uit een zwart paneel waarin verschillende geometrische vormen als cirkel en rechthoek zijn uitgespaard. Het rust op een scherm van transparante zijde dat over een frame van dunne houten latjes is gespannen. De weelderige roze rozen waarmee de gele zijde is bedrukt contrasteren scherp met de strenge geometrie. Het zwarte reliëf moet wel een verwijzing zijn naar de experimenten met abstracte vormen van de constructivisten die door hun kunst een nieuwe, betere wereld wilden scheppen. Fortuyn en O'Brien hebben, lijkt het, een hommage willen brengen aan deze heroïsche experimenten die uiteindelijk op een mislukking uitliepen. Fortuyn en O'Brien - en veel jongere kunstenaars met hen - geloven niet meer in dit soort pogingen. Hun kunst heeft niet meer direct met de werkelijkheid te maken, maar meer met de kunst zelf, met schijn en illusie. In Pour ceux qui ont essayé wordt dit onderstreept door het feit dat het gebloemde "altaar' waar het zwarte object op rust, nauwelijks materieel is. De fragiele sokkel staat symbool voor het verlangen naar kunst en voor de overtuiging dat het nu niet langer mogelijk is om betekenisvolle kunst, kunst met "gewicht', te creëren.

Theater

Irene Fortuyn (Geldrop, 1959) en Robert O'Brien (Bromyard, Engeland, 1951) werkten vanaf de zomer van 1983 samen en produceerden hun kunstwerken als één persoon: Fortuyn-O'Brien. In 1988 overleed O'Brien. Irene Fortuyn besloot onder de dubbele naam, als "logo' voor een bepaalde mentaliteit, haar werk voort te zetten. De scepsis die hierover aanvankelijk in de kunstwereld bestond - zij had zich, in tegenstelling tot haar echtgenoot, nog nooit als individueel kunstenaar gemanifesteerd - wordt nu met de door haar ingerichte tentoonstelling in het Stedelijk Museum geloochenstraft. Hier blijkt dat zij heel goed in staat is om alleen als Fortuyn-O'Brien op te treden. Zij is trouwens een van de weinige Nederlandse kunstenaars die door Jan Hoet zijn uitgenodigd om aan de Documenta deel te nemen.

In de eerste zaal van de tentoonstelling in het Stedelijk staan twee marmeren stoelen opgesteld, getiteld Marblepublic, met hun rug naar de ingang en hun "gezicht' naar de tentoonstelling gericht. Het zijn deftige fauteuils, bedekt met draperieën, eveneens van marmer; ze zijn dus evenzeer "beeldhouwwerk' als stoel. Het is alsof ze in afwachting staan van het begin van een theatervoorstelling. Aan de wanden hangen The Twelve Disciples, brede lijsten in verschillende zachte, nuances van grijs, roze en geel die een nisvormig beeldraam omvatten. In deze nissen zijn steeds twee stukken transparant gaas, ook in zachte pasteltinten, zichtbaar: een uit het lood getrokken rechthoek, bekroond door een ovalen "stralenkrans'. Alles is hier even licht en ijl, en de kleuren zijn zo precies volgens de regels van de goede smaak op elkaar afgestemd, dat het geheel iets gekunstelds en design-achtigs heeft. Toch suggereren The Twelve Disciples dat het hier niet louter gaat om binnenhuisarchitectuur, maar om een voorstelling met een sacraal karakter.

Na deze "Antichambre' volgt de "Patio'. De toon is donkerder dan van de "Antichambre', maar van eenzelfde luchtige elegance. Hoge smalle luiken met panelen, behorend bij de tuingevel van een achttiende-eeuws landhuis of paleis, hangen als coulissen aan de muren. Twee bolvormige buxusstruikjes flankeren een geel ijzeren tuinhek. Een eindje verderop balanceert een ronde, ornamentale vaas op een kamerscherm. En een eveneens classicistische nepgevel van imitatie-zandsteen sluit de achterwand van de zaal af. Het enige element dat hier de sfeer van luxe en comfort doorbreekt is een "vortex' in de zandsteengevel, een verticale diepzwarte baan.

Alle objecten in de expositie hebben betrekking op (tuin)architectuur en op design. Elk van de zes tentoonstellingsruimten heeft een eigen naam en karakter. Een zaal met blauwe objecten heet bijvoorbeeld "Atelier', en een zaal met elementen ontleend aan priëlen en tuinarchitectuur "Buitenplein'. In het "Buitendepot' combineerde Fortuyn-O'Brien haar werk met donkere meubels van Berlage en De Bazel.

Steeds weer wordt in dit "parcours' gerefereerd aan de rol van de toeschouwer en aan het kijken naar kunst. Dit geldt bijvoorbeeld voor Marblepublic (zoals de hele tentoonstelling ook heet) en voor Black Look, een manshoge zwarte ovaal staande binnen een balustradehekje als van een theater. ("Vrouwshoog' zou eigenlijk beter op zijn plaats zijn. De met zijden bespannen ovaal is, net als Black Lily, eerder vrouwelijk dan mannelijk.) In Romeo omsluit een brede mahoniekleurige lijst met een balustradehekje een monochrome oranje-rode, decoratieve schildering waar je met enige goede wil een avondhemel in zou kunnen zien. De dubbelrol van schilderijlijst en venster (hekje) sluit aan bij een lange traditie in de schilderkunst, vanaf de Renaissance. Hier roept het meer specifiek het werk in herinnering van Caspar David Friedrich, een negentiende-eeuwse schilder uit de romantiek. Friedrich heeft het motief van lijst-venster verschillende malen gebruikt, soms gecombineerd met een figuur die naar buiten kijkt en die wij dus op de rug zien (als de stoelen bij Marblepublic). Maar Friedrich dacht nog waarheid en een metafysische betekenis te kunnen vinden in de, door het venster geziene, natuur. Bij Fortuyn-O'Brien is dat niet meer het geval. De "voorstelling' is even dubbelzinnig als de omraming: het is onmogelijk te zeggen of we hier kijken naar een stuk behang of naar een stuk avondhemel.

Inwisselbaar

De tentoonstelling als geheel vormt het kunstwerk van Fortuyn-O'Brien. De expositie is weliswaar opgebouwd uit afzonderlijke objecten, maar die krijgen pas in hun samenhang de dubbelbetekenis van decoratie-kunst. Dit bleek ook uit de bijdragen aan groepstentoonstellingen, zoals Sonsbeek (1986) of Paleistuin-Beeldentuin (1990). Daar verloren hun beelden grotendeels het karakter van kunstwerk en werden eenvoudigweg tot tuinornamenten.

Ook de catalogus illustreert dit, zij het op een andere manier. Fortuyn- O'Brien vroeg vier personen, onder wie designer Pierluigi Tazzi en stiliste Lidewij Edelkoort, een tentoonstelling te bedenken van haar beelden in de zalen van het Stedelijk en die te visualiseren met behulp van de computer. De catalogus bevat deze computerbeelden, die dus geen foto's zijn, maar "originelen'. Bij het bekijken van het boek trof mij, na de eerste verwondering over de ingenuïteit van deze projecties, de eenvormigheid van de plaatjes. Hoe inventief en doordacht de combinaties in de zalen ook lijken, uit de catalogus blijkt verrassend genoeg dat de objecten naar willekeur met elkaar kunnen worden gecombineerd. Het gaat er hoofdzakelijk om dát ze met elkaar in samenhang worden gezien.

De daadwerkelijke tentoonstelling in het Stedelijk, die dus grotendeels inwisselbaar is te zijn met de varianten in het boek, levert een wandeling op door een fraai vormgegeven installatie met een licht nostalgische sfeer, een wandeling die aanzet tot mijmeren over de rol van het kunstwerk en over de onmacht van de kunstenaar om deze rol inhoud te geven. Fortuyn-O'Brien wil met haar exposities de verschillende manieren onderzoeken waarop kunst gepresenteerd wordt en hoe het kunstwerk functioneert. In die opzet is zij volledig geslaagd.