De verschrikkelijke term is gevallen: NEO-POP

In Londen is in de Royal Academy of Arts een grote tentoonstelling van Pop Art te zien met werken van kunstenaars als Andy Warhol, Roy Lichtenstein en James Rosenquist. In de Serpentine Gallery wordt gelijktijdig de tentoonstelling "Objects for the ideal home, the Legacy of Pop art' gehouden. Een van de dingen die de Pop-Artkunstenaars aan de kunst toevoegden was humor. Nadeel is wel dat je een goede grap maar één keer kunt vertellen. “De plotselinge omarming van de Pop Art, die in de tentoonstellingscatalogus omschreven wordt als "één van de invloedrijkste stromingen van de twintigste eeuw', zou nog wel eens gevolgen kunnen hebben.”

The Pop Art Show duurt tot l5 december. Dagelijks geopend van l0 tot l8 uur. Royal Academy of Arts, Burlington House, Piccadilly Londen. Tel. 071-4397438. Aanbevolen wordt van te voren te bellen in verband met mogelijke drukte.

“Wat heeft u zo al van Londen gezien?”, vraagt de broze, oude dame die bij de bushalte staat te wachten. “Alleen nog maar de Pop Art Show in de Royal Academy”, antwoord ik. “Een Popeye-show, wat leuk! Mijn kinderen waren vroeger dol op de strips van Popeye the Sailorman. Popeye was zo sterk omdat hij zoveel spinazie at”, zegt ze lachend. Ik besef dat de oude dame mij verkeerd verstaan heeft. “De tentoonstelling gaat over Pop Art maar Popeye hangt er ook”, zeg ik. “Oh ja? Is dat zo? Op mijn leeftijd kan je dat allemaal niet meer bijhouden”, zegt ze bijna verontschuldigend. Het gevoel bekruipt me dat ik achteloos een soort wisseltruc met de aardige oude dame heb uitgehaald: voor het gesprekje over de Popeye van haar kinderen heb ik haar slechts een kunstterm teruggegeven.

Uit de in mijn tas bewaarde map met informatie over de Pop-Arttentoonstelling haal ik een foto te voorschijn die ik haar toon. Er staat een door de Amerikaanse Pop-artiest Roy Lichtenstein gemaakt schilderij uit 1961 op afgebeeld van een uitvergrote Popeye die een andere zeeman zo'n geweldige oplawaai verkoopt dat er sterretjes verschijnen. De aanblik van de haar vertrouwde stripfiguur montert de oude dame zichtbaar op. Ze begint zelfs een beetje te stralen. “Ach, daar heb je Popeye en daar ligt het blik spinazie... Wat een mooie duidelijke foto, ik herken alles nog precies...”, zegt ze. “Dat is nu Pop Art”, zeg ik. “Dat geeft niet, je ziet er niets van”, antwoordt de oude dame. Het is een opmerking die de inhoud van deze kunstuiting in "a nutshell' samenvat.

Je kan er de encyclopedie "Kunst van Nu' (blz 116), een zeldzaam handig naslagwerkje over de kunst van de jaren zestig, op naslaan: “Pop art (afgeleid van popular art) is een term afkomstig van de Engelse kunstcriticus L. Alloway. Hij gebruikte deze oorspronkelijk om er het beeldmateriaal van de massa mee aan te duiden. Omstreeks l955 werd het begrip pop art voor de eerste maal in verband gebracht met het werk van de Independent Groep in Londen, waartoe zowel Alloway als o.a. de kunstenaars Paolozzi en Hamilton behoorden. Hamilton maakte voor de catalogus van de tentoonstelling "This is tomorrow', in 1956 in de Londense Whitechapel Gallery gehouden, een collage getiteld "Just what is it that makes today's homes so different, so appealing', die niet alleen belangrijk is omdat het woord POP erop voorkomt, maar ook omdat hier de belangstelling van de pop-kunstenaar tot uitdrukking komt: de moderne grootsteeds gecommercialiseerde samenleving...” Verder staat er onder meer te lezen dat ook Amerikaanse kunstenaars als Lichtenstein, Oldenburg, Rosenquist, Warhol en Wesselman de vulgaire consumptiemaatschappij als model lieten dienen voor hun kunst die in het begin van de jaren zestig zijn opmars maakte.

Het mag een wat gemakzuchtige indruk maken om in een tentoonstellingsbespreking de encyclopedie over te pennen maar wat de groots opgezette "The Pop Art Show' in de Royal Academy betreft, is het wel functioneel. De tekst in het naslagwerkje maakt namelijk meteen het concept van de tentoonstelling duidelijk. Deze is volledig encyclopedisch opgezet. De Pop Art Show, waar 250 werken van zestig kunstenaars zijn te zien, is een reconstructie van het klimaat van de jaren zestig. De tentoonstellingsmakers moet welhaast de creatie van een tijdcapsule voor ogen hebben gestaan met de Pop Art Show.

Magical tour

De Engelse Pop-kunstenaar Allen Jones kreeg de opdracht een dubbeldekker te beschilderen met motieven die ontleend zijn aan zijn serie "bus'-schilderijen uit de jaren zestig. Deze bus is bestemd voor een gratis "magical tour' door het hartje van Londen. De museumwinkel puilt uit van de artikelen in een Popartdesign, variërend van blousjes met Warholmotieven tot theepotten. En ook wordt de film "A Hard Day's Night' opnieuw vertoond. Terecht, de grootse culturele bijdrage die de Engelsen ten tijde van de Pop Art hebben geleverd, waren immers The Beatles. Zoals Disneyland niet over het hoofd gezien mag worden als zijnde het ideale Amerikaanse Popkunstwerk.

De dertien zalen waarover The Pop Art Show zich uitstrekt zijn op een even voorbeeldige als voorspelbare wijze ingericht. Er zijn zalen met Engelse Pop Art, met Newyorkse Pop Art, met Californische Pop Art en met Pop Art uit landen als Spanje en Duitsland. In het laatstgenoemde land werd de Pop Art overigens "Kapitalistisch Realisme' genoemd. Ook zijn er zalen ingericht voor de vertegenwoordigers van stromingen die zich ongeveer gelijktijdig met de Pop Art aandienden als Fluxus en het Nouveau Réalisme. De vertegenwoordigers van Fluxus organiseerden theatervoorstellingen waarin de kunst zelf aan de kaak werd gesteld. Met de produktie van kunst hielden ze zich niet bezig. Het Nouveau Réalisme vertoonde inhoudelijk raakpunten met de Pop Art door kunst te maken met de afvalprodukten van de consumptiemaatschappij. De verschillen tussen de beide stromingen zijn echter groter dan de overeenkomsten. Maar hiervoor hebben de tentoonstellingsmakers een oplossing gevonden: het Nouveau Réalisme wordt geen Pop Art genoemd maar "pop-idioom'.

De opzet van The Pop Art Show is een gemiste kans om het ooit zo spraakmakende verschijnsel vanuit een andere gezichtshoek te belichten. Op het symposium, dat naar aanleiding van de tentoonstelling werd georganiseerd, spraken de voormalige Popkunstenaars voortdurend over de invloed die de Franse kunstenaar Marcel Duchamp (1887-1968) uitoefende op het onstaan van de kunststromingen uit het begin van de jaren zestig. Duchamp is, zoals bekend, de uitvinder van het "ready made'-kunstwerk. Hij koos hiervoor eenvoudige gebruiksvoorwerpen, variërend van een fietswiel tot een kam, en stelde ze als kunstwerken tentoon. Een ingreep die de eeuwige vraag "wat is kunst?' op een ironische manier becommentarieerde.

Als Marcel Duchamp dan zo belangrijk is geweest bij het ontstaan van de Pop Art waarom is hier dan op de tentoonstelling niets van te merken? De Pop-kunstenaars zelf zijn intussen bejaarde heren geworden. Het was toch wel aardig geweest om te zien hoe hun oeuvres zich intussen ontwikkeld hebben. De tentoonstelling biedt echter niet meer dan een echo van het verleden toen de Pop Art zo "young, witty, sexy and glamourous' was. The Pop Art Show is eigenlijk niet anders dan jeugdsentiment, verpakt in de vorm van een expositie.

Dagelijks nieuws

Die zelfde Marcel Duchamp heeft overigens de opvatting dat een stroming op zichzelf een belangwekkend verschijnsel is nog eens van de nodige kanttekeningen voorzien tijdens een interview met het tijdschrift Vogue in 1963: “Er is geen kunst; er zijn alleen kunstenaars. Met andere woorden, een stroming heeft geen enkele betekenis. Er zijn maar een paar namen, maar een paar mensen, die genoeg eigen kracht bezitten om hun werk te kunnen laten doordringen. Of dat nu figuratief, abstract, kubistisch of wat anders is, is verder van geen enkel belang. Voor "Pop Art' geldt hetzelfde. Als je nu "Pop' bent, ben je iemand. Maar dat betekent nog niet dat je ook de kunstenaar van morgen bent. Het is zoiets als het verschijnen van het dagelijkse nieuws in de krant, met andere woorden.”

In het begin van de jaren zestig toen er in Europa door veel kunstenaars met kant-en-klaar in het warenhuis gekochte materialen of met uit de schroothoop opgeviste voorwerpen werd gewerkt, bracht de Amerikaanse Pop Art lang niet zo'n schok teweeg als gewoonlijk wordt aangenomen. De vertegenwoordigers van gelijktijdig optredende Europese stromingen als Nul-Zero en het eerder genoemde Nouveau Réalisme hadden immers ook al overduidelijk blijk gegeven van hun voorkeur voor triviale eigentijdse materialen.

Dat in de Pop Art niet het massaprodukt maar de Amerikaanse massacultuur als inspiratiebron voor de kunst werd geëxploiteerd, bracht echter wel een andere stijl met zich mee. Er werd bijvoorbeeld weer realistisch geschilderd wat met de onderwerpen samenhing. De menselijke figuur ging ook weer meespelen, al werd deze dan ook als een (reclame-)cliché of in de gedaante van een stripfiguur als Popeye the Sailorman belicht. Met het romantische verlangen van sommige Europese collega's om het leven tot kunst te verheffen, leken de Amerikaanse Popkunstenaars niet behept. Ze wekten veeleer de indruk bezig te zijn met een succesvolle vorm van "re-cycling' waarbij de afscheidingsprodukten van de Amerikaanse cultuur tot kunstprodukten voor de musea werden gemaakt.

In tegenstelling tot de oudere generatie van abstract-expressionisten die de ethiek en de goede smaak hoog in het vaandel hadden staan en emotioneel geladen werken schilderden, brachten de Pop-kunstenaars humor in. Hun neiging tot opblazen en uitvergroten maakte het kunstwerk soms echter tot een grap en die kan je ook maar één keer vertellen. Na de verschijning van een realistisch gevormde Popeye maakte Lichtenstein nog een paar andere werken over strips waarbij het tekstwolkje "I know how you must feel, Brad...' exact de plaats van de emotie in het werk van de Pop-kunstenaar aangaf. Maar hierna was de grap dan ook wel tot op de bodem uitgespeeld.

Wat nu veel beter te zien is dan in de tijd waarin het verschijnsel Pop nog nieuw was, is dat de ideeën over deze stroming toch vooral werden ingegeven door werken die hun geheimen in één klap leken te willen openbaren zoals in het geval van Roy Lichtenstein, Andy Warhol en James Rosenquist.

Soepblik

Aanvankelijk gebruikte Warhol evenals Lichtenstein stripbeelden in zijn kunst. De weigering van de Newyorkse galeriehouder Leo Castelli om twee kunstenaars met één en hetzelfde onderwerp in zijn stal op te nemen, bracht Warhol tot de befaamd geworden nieuwe creatie van het Campbell's soepblik ('62). Zijn portretten van Marilyn Monroe en van andere sterren, van auto-ongelukken en zijn uitvergrotingen van Mao of van een madonna met kind van Raphael vallen nu op door een melancholie die ver afstaat van de 'witty en sexy' Pop Art.

Lichtenstein handhaafde in de jaren zestig zijn stippeltjestechniek maar veranderde van onderwerp. Hij bedacht een nieuwe grap door een kunstwerk te maken waarop een geïsoleerde abstract-expressionistische penseelstreek werd afgebeeld. Daarna stippelde hij Monet's serie van de Kathedraal van Rouaan nog eens na. Aan het enige recente werk, uit '91, van Lichtenstein dat op de expositie aanwezig is, valt niets te beleven. Het is een wederom een uit stippen vervaardigd kunstwerk van een uitermate saai ogend interieur.

James Rosenquist, die een tijdlang reclameborden beschilderde voor de kost, bleef deze techniek ook als kunstschilder toepassen. De constructie van Luxaflex inspireerde hem tot composities waarin veelal verticale beelduitsneden van bijvoorbeeld spaghetti, een vrouwengezicht en een auto werden gecombineerd. Zijn "Star Thief' uit l980, een olieverfdoek dat een enorme wand beslaat, doet vermoeden dat hij voornamelijk op steeds grotere formaten en ook in diagonale richting is gaan werken.

Het werk van de twee voorlopers Robert Rauschenberg en Jasper Johns, en dat van Claes Oldenburg, George Segal, Jim Dine en van sommige popkunstenaars uit Californië als Wayne Thiebaud, Joe Goode en Kienholz is veel subtieler. Het geeft je ruimte om te bespiegelen waardoor je die malle herhalingsoefening die The Pop Art Show wordt genoemd even kan vergeten. Af en toe zijn er schijnbare overeenkomsten. Maar dan alleen in de keuze van onderwerp. De omstandigheid dat Oldenburg objecten vervaardigde en beschilderde die vervolgens als "banana splits' in een echte vitrine werden uitgestald en Wayne Thiebaud precies gepenseelde schilderijen van taartjes en hot dogs maakte, zegt op zichzelf niets.

Lolly

Zelfs de collage van de Engelse kunstenaar Richard Hamilton, getiteld "Just what is it that makes today's home so different, so appealing?', uit l956 (een bodybuilder en een lolly met het woord Pop erop verschijnt in een huiskamer waar een uitvergrote strip aan de wand hangt en waar een pinup-girl op de bank ligt) lijkt weinig met Pop Art van doen te hebben. De groeiende invloed van de Amerikaanse op de Engelse cultuur in deze jaren wordt veeleer met afstandelijkelijke humor geregistreerd. De Popkunst van de Engelsman Peter Blake ademt nostalgie naar de rommelmarkt. David Hockney die er helemaal geen prijs op stelde om het etiket Pop Art opgeplakt te krijgen, heeft nooit iets anders willen schilderen dan gebeurtenissen uit zijn persoonlijke leven en mooie omgevingen als zwembaden waaruit soms een mooie druppel opspat. Het werk van de nouveau réalist Tinguely, eveneens opgenomen in The Pop Art Show staat al evenzeer op zichzelf. Tinguely betoonde zich in zijn uit gebruikte onderdelen gemaakte, bewegende machines als de laatste grote romanticus van het industriële tijdperk. Hiermee vergeleken was de houding van de Amerikaanse popartiesten tegenover de maatschappij veeleer cynisch te noemen.

De plotselinge omarming van de Pop Art, die in de tentoonstellingscatalogus omschreven wordt als "één van de invloedrijkste stromingen van de twintigste eeuw', zou nog wel eens gevolgen kunnen hebben. De expositie "Objects for the ideal home, the Legacy of Pop art' in de Serpentine Gallery in Kensington Gardens wijst al in die richting. De Engelse kunstenaar Tony Cragg, die toch een aardig oeuvre op zijn naam heeft staan, toont daar twee ijzeren kratten die gevuld zijn met de scherven van een ooit in aardewerk uitgevoerd roofdier. Voorts heeft Cragg een babykleedje op de grond gelegd dat hij omringd heeft met enkele speelgoedberen, speelgoedapen en een speelgoedolifantje. Het babykleedje zelf is ook met speelgoeddieren bedrukt. In dezelfde ruimte heeft een andere kunstenaar een uitsteeksel aan de muur bevestigd waarop zich een oranje theemuts met een hoed op en een in aardewerk uitgevoerde groene kool bevinden. De pièce de résistance is een op een sokkel geplaatste sculptuur, getiteld "Winter Bears l988'. Deze wordt gevormd door twee leuk aangeklede ijsberen, een mannetjes-ijsbeer en een vrouwtjes-ijsbeer. De maker is Jeff Koons. In verband met deze expositie, die de apotheose is van de wezenloosheid, is de verschrikkelijke term al gevallen: "neo-pop'. Dat het binnenkort de rol van het woord post-modernisme zal overnemen, is een schrale troost.

Op het naar aanleiding van de Pop Art Show georganiseerd symposium, voerde ook de schepper van de ijsberen-sculptuur het woord. In navolging van sprekers als Rosenquist en George Hamilton refereerde ook Jeff Koons aan de opvattingen over kunst van Marcel Duchamp, die postuum als een soort panacee voor alle kwalen lijkt te fungeren. Het door Duchamp uitgevonden begrip "ready made', gevormd door een tot kunst verheven gebruikvoorwerp verklaarde Koons op het publiek toe te passen. Dit "ready made'-publiek, dat hij bourgeois noemt, vindt in zijn kunst zijn eigen deugden terug, een totaal geloof in burgerlijkheid en conventie, legt de kunstenaar uit die over zichzelf in de derde persoon spreekt. Vooralsnog in enkelvoud.