De terrorist is nog niet aangepast; Roman van Don DeLillo

Don DeLillo: Mao II. Uitg. Jonathan Cape, imp. Nilsson & Lamm. Prijs ƒ 48,20. Ook: Uitg. Viking, imp. Penguin Nederland. Prijs ƒ 49,90.

Mao II, Don DeLillo's tiende roman, is geïnspireerd door beelden. Door het gekwelde gezicht van J.D. Salinger, de publiciteitsschuwe en in afzondering levende Amerikaanse schrijver die door een fotograaf betrapt werd bij het winkelcentrum van zijn dorp; door televisiebeelden van de begrafenis van de Ayatollah Khomeini en de gebeurtenissen op Tienanmein Plein en de ramp in het voetbalstadion in Sheffield; en door een beeld dat zich visueel veel minder direct aan ons heeft opgedrongen maar dat desalniettemin niet minder afschuwelijk is: dat van de ondergedoken schrijver Salman Rushdie, de gegijzelde van een totalitaire denkwijze. Beelden die terugkeren in de pagina's van dit boek, aangevuld met een overvloed aan andere bittere beelden die elke televisiekijker periodiek tot somberheid stemmen: geïmproviseerde kampementen van daklozen in Amerika, teenager-terroristen in Libanon, lopende band Moonie-huwelijken in Yankee Stadium.

In die wereld creëert DeLillo zijn eigen romanfiguren. Allereerst de in afzondering levende auteur Bill Gray, auteur van twee dunne boekjes. Gray is een levende mythe, wiens in omvang magere werk door een hele industrie aan literaire kritiek en image-making in zijn fysieke afwezigheid tot enorme proporties is opgeblazen. Verder zijn factotum Scott, die zichzelf ooit als secretaris aan de schrijver opdrong en er nu beter dan wie ook van is doordrongen hoe belangrijk het is dat het derde boek, waaraan Gray al decennia werkt, niet gepubliceerd zal worden. Zijn minnares Karen, wier Moonie-huwelijk met een gezichtsloze Kim we aan het begin volgen door de ogen van haar desperate ouders - het hoogtepunt van het boek, helaas, zoals later zal blijken. En natuurlijk, geheel volgens de verteltraditie, de buitenstaander die deze verstilde microkosmos komt verstoren: de groupie-achtige fotografe Brita (“Ik ben niet geïnteresseerd in fotografie, ik ben geïnteresseerd in schrijvers”) die alleen schrijversportretten maakt en op miraculeuze wijze toegang tot de kluizenaar verwerft.

En niet zo maar een beetje verstoort zij die microkosmos. Indirect brengt Brita de auteur weer in contact met zijn uitgever, die hem ertoe overhaalt zich in te zetten voor de zaak van Jean-Claude, een Zwitserse dichter die door terroristen in Beiroet gegijzeld wordt. Een reading van zijn werk door prominente collega's in Londen moet de wereld alarmeren en zijn vrijlating bespoedigen. Gray, die zich dankzij Brita weer is gaan interesseren voor de wereld om zich heen, stemt onverwacht toe en reist af naar Londen, maar elke nieuwe aankondiging van de strikt geheime gebeurtenis roept een nieuw bomdreigement op.

Voor Gray is er dan geen weg terug meer: hij vliegt door naar Athene waar ene George Haddad hem in een aftastende serie confrontaties suggereert dichterbij het gijzeldrama te kunnen komen. Ze hebben interessante discussies. “Ik heb”, zegt Gray, “al enige tijd het idee dat romanciers en terroristen een zero-sum spel met elkaar spelen (-) Wat de terroristen winnen, verliezen de romanciers. De mate waarin zij het massa-bewustzijn beïnvloeden is gelijk aan onze teloorgang als vormgevers van sensibiliteit en gedachten. Het gevaar dat zij vertegenwoordigen staat gelijk aan ons onvermogen om gevaarlijk te zijn (-) Beckett is de laatste schrijver die vorm gaf aan wat wij denken en zien. Na hem gaat belangrijk werk over explosies in de lucht en instortende gebouwen. Dat is de tragische nieuwe vertelling.”

En ja, zo antwoordt Haddad, “de kunstenaar is geabsorbeerd, zoals de gek op straat geabsorbeerd is en ingelijfd en verwerkt. Geef hem een dollar, stop hem in een tv-reclame. Alleen de terrorist staat daarbuiten: de cultuur is er nog niet in geslaagd hem te assimileren.”

Bruiloft

Dat Gray's einddoel Beiroet zal zijn is op dat moment duidelijk; dat hij het niet levend zal bereiken is nauwelijks meer van belang voor de lezer, want een leven op papier heeft de auteur hem voordien toch al nauwelijks kunnen geven. Het is door Brita's ogen dat we de laatste beelden zien in dit boek, opnieuw van een bruiloft maar nu een temidden van de puinhopen van Beiroet, een poëtisch sprankje optimisme dat een fraai contrapunt vormt met de massale huwelijkscène uit het begin. En zo zijn er meer boeiende dingen in dit boek te vinden, als de hiervoor vermelde dialoog, en DeLillo is absoluut sterk in sommige beschrijvingen, als van het hoofd van Gray gezien door de lens van Brita, van de handelaars en drugdealers, gezien door Karen.

Beelden, beelden, van Chinese studenten die door tanks worden vermorzeld en van Iraanse fanaten die de blote dode benen van de Ayatollah uiteen proberen te rijten; beelden die ook favoriet zijn bij makers van videoclips, waar ze een suggestieve optelsom moeten zijn van een hedendaagse apocalyps, een samenleving die op hol is. De herhaling, de suggestie als troost voor het onvermogen om zin te geven aan die gebeurtenissen.

Don DeLillo moet ermee gecomplimenteerd worden dat hij - opnieuw, na White Noise en na Libra, zijn roman over Lee Harvey Oswald en de moord op JFK - het heeft aangedurfd zich met een thematiek bezig te houden die door serieuze romanciers doorgaans gemeden wordt omdat het het terrein is van documentaire-makers en reportageschrijvers. De wereld is zo ingewikkeld, onze morele keuzes zijn zo complex, het is allemaal niet meer zo overzichtelijk tot romanmateriaal te vormen als in de dagen van Balzac. Het vervelende voor hem, en daarnaast voor de lezer, is dat een boek als dit cru gezegd het gelijk lijkt aan te tonen van al die romanciers die die wereld links laten liggen of tot efemeer verklaren. Mao II toont aan dat de optelsom van moed, intelligentie, bezorgdheid en zelfs een soms briljante stijl nog niet een goede roman maken. Het belangrijkste compliment dat DeLillo voor dit boek in de Britse en Amerikaanse pers is gemaakt is dat hij een fictieschrijver is die “iets te zeggen heeft”. Mij resteert na lezing de vraag: wat dan? Wat dat niet in non-fictie eerder en beter is gezegd? Wat voegt het hopeloos houterige kwartet karakters dat hij vergeefs leven probeert in te blazen toe aan de werkelijkheid waardoor hij zich liet inspireren?