De naakte letter; Braaf overzicht van teksten in de beeldende kunst

De woorden en de beelden. Redactie: Jan Brand, Nicolette Gast, Robert-Jan Muller. Uitg. Centraal Museum Utrecht, 272 blz. Prijsƒ 49,50

De woorden en de beelden is een boek van 272 bladzijden dat deel uitmaakt van de tentoonstelling Nachtregels in Utrecht. In die stad zijn tot 15 oktober op de meest uiteenlopende plekken teksten van kunstenaars te zien die 's avonds zijn verlicht. In de zalen van het Centraal Museum werden tot 8 september de woorden en beelden tegen elkaar uitgespeeld. Door de publikatie van het boek is Nachtregels een trilogie geworden.

In zijn voorwoord schrijft Sjarel Ex, de directeur van het Centraal Museum, dat De woorden en de beelden een denkbeeldige tentoonstelling is: praktisch, technisch en financieel was die moeilijk te verwezenlijken. Dat valt te begrijpen. De opzet is te ambitieus voor het budget van het Centraal Museum. De samenstellers hebben immers geprobeerd een overzicht te geven van het gebruik van tekst in de beeldende kunst van de hele twintigste eeuw.

Hoe zijn ze te werk gegaan? De klassieke kunsthistorische indeling van deze eeuw is gevolgd. Eerst de avant-garde (1900-1940), met namen als Van Doesburg-Bonset, Picasso, Marinetti, Apollinaire, Picabia, Lissitszky, Schwitters en Werkman. Het tweede tijdperk beslaat de jaren 1940-1970: Cobra, Fluxus, Pop Art, Conceptuele kunst. Het derde deel is het grilligst en loopt van 1970 tot nu. Er wordt vooral veel aandacht besteed aan het werk van Jenny Holzer en Barbara Kruger.

Ritme en klank

Elke periode is van een of meer inleidingen voorzien. Kees Broos schrijft over de historische avant-garde. Hij behandelt zowel de letters en woordfragmenten op schilderijen als de veranderde typografie in het gedicht. De schilders namen woorden uit kranten of van uithangborden in hun voorstellingen op. De dichters bootsten in de typografie verschijnselen als regen na of gaven door het gebruik van grote korpsen nadruk aan een woord of een zin om soms uit te komen bij de naakte letter zonder betekenis, alleen nog ritme en klank.

Het stuk van Broos is een goede introductie tot de verhouding tussen het woord en het beeld, maar het roept ook een vraag op. Waarom wel de X-beelden en letterklankbeelden van I.K. Bonset en niet het typografische geweld van Paul van Ostaijen? De lezer vermoedt het antwoord: Bonset is een afsplitsing van de beeldende kunstenaar Theo van Doesburg en Van Ostaijen heeft nooit geschilderd.

Steeds wordt op de vertrouwde plaatsen gezocht. Inleider Erik Slagter geeft zelfs toe dat er op de Cobra-schilderijen niet vaak tekst voorkomt en dat de dichters zich nauwelijks om een beeldende typografie hebben bekommerd. Waarom is er in De woorden en de beelden dan toch een heel hoofdstuk aan Cobra gewijd?

Het was moediger geweest die eeuwige kunsthistorische indeling te doorbreken en ook aandacht te besteden aan bijvoorbeeld het zelden geëxposeerde werk van een eenling als Leo Vroman, een tijdgenoot van de Cobra-kunstenaars. In zijn gekalligrafeerde gedichten zijn woord en beeld nauwelijks nog te onderscheiden. Maar Vroman blijft, als Van Ostaijen, vooral een dichter, die niet thuishoort in het domein van de beeldende kunst.

Er zijn meer kansen gemist. De scherpzinnige en grappige etsen van Pieter Holstein hadden niet mogen ontbreken. Hij kan een schijnbaar eenvoudig landschap of interieur door een paar woorden van betekenis laten veranderen. Ook de Belg Benoit en de Amerikaan Steinberg zijn blijkbaar te luchthartig voor zo'n deftig boek als De woorden en de beelden.

Voor die lacunes is begrip op te brengen. Bij zo'n ruime noemer kan niet iedereen tevreden worden gesteld. Maar het braaf volgen van de kunsthistorie is niet het enige tekort. Een studie waarin expliciet het woord zo'n grote rol speelt zou toch minstens goed geschreven moeten zijn.

Nerveus

Als Broos het hele boek voor zijn rekening had genomen was er niets aan de hand geweest. Hij richt zich met een voorbeeldige mengeling van feiten en interpretaties tot zijn publiek. Maar er werken veel meer schrijvers aan het boek mee. Alleen de beschouwing van Roland Barthes over Cy Twombly is briljant. Beheerst en nauwkeurig schrijft de Fransman over Twombly's nerveuze handschrift.

De meeste andere teksten zijn te abstract. Franz W. Kaiser: “Het teken is alleen een echo van het onbekende en wordt tot medium om zich in te leven in het onuitsprekelijke, onzichtbare, irrationele.” (Taalfragmenten als beeldend materiaal).

Benjamin H. D. Buchloh: “De veelzijdigheid waarmee Broodthaers in visuele tekens historische materiële concretiseringen weet te leggen en het volledige spectrum van hun inherente dialectiek weet te omvatten (de tegenstrijdigheden van de realiteit waaruit zij als ideologische betekenis voortkomen én hun eigen tegenstrijdige aard in het vormgeven en bepalen van die realiteit en onze interpretatie daarvan) is wonderbaarlijk.” (over Marcel Broodthaers).

Bart Cassiman: “Het uiteindelijke artistieke resultaat is een zeer complex en particulier beeldend ideolect dat als gevolg van het associatieve proces volledig losgekoppeld is van het autonome van de waarneming.” (over René Daniëls).

Waarom een denkbeeldige tentoonstelling maken die het van zulke malle kletspraat moet hebben? Wat is er dan nog aan? In Utrecht denkt men dat om het mooie en geestige werk van René Daniëls een rookgordijn moet worden opgetrokken, alsof men wil voorkomen dat een bezoeker zo maar, zonder ballast, van zijn werk geniet.

Er staan meer kunstenaars in het boek die de humor niet schuwen, zoals John Baldessari. Hij maakte een schilderij van deze tekst: “Everything is purged from this painting - but art, no ideas have entered this work.” Zo'n vondst hoort thuis in de wereld van de kinderspelen. Maar in De woorden en de beelden wordt de onvermijdelijke Wittgenstein er natuurlijk weer bijgehaald.

De samenstellers hebben zich aan hun denkbeeldige tentoonstelling vertild. Het had een prachtig boek kunnen worden, prikkelend en vindingrijk. Nu is het aan nepfilosofie en een voor de hand liggende keuze van beeldende kunstenaars ten onder gegaan.