De hardloper

Het waait hard, maar je gaat er toch op uit, omdat het de laatste dag van je vakantie is.

Je neemt de weg vlak langs de kust. Die is het mooist. Links van je spat het water op. Het is heel wit met daaronder de donkere rotsen. Aan de andere kant van de baai zijn de bergen in een lichte nevel gehuld.

Het pad is grillig gevormd. Het heeft lange rechte stukken. Soms verandert het in grote rotsblokken. Je springt van het ene op het andere. Ineens wordt het pad zo smal dat je nog net je evenwicht kan bewaren.

Je bent een uur alleen. Er hoeft verder niets te gebeuren, dit is genoeg. Dan zie je dat een paar vrouwen dezelfde wandeling maken. Eerst zijn ze nog een eind van je af, witte figuurtjes met opwaaiende jurken. Je hebt geen behoefte aan gezelschap, je wilt liever niemand zien, maar je zult ze toch voorbij moeten gaan.

Misschien komt het door hun schoenen, maar ze hebben nog veel meer moeite met het pad dan jij. Ze zwaaien met een arm of zoeken met hun vingertoppen steun op een andere schouder. Soms lopen ze heel dicht bij elkaar, even later raakt er een achterop.

Je houdt je pas in. Je hebt geen zin in een gesprek, zelfs niet in "goede morgen' of "waar ga je heen', ze spreken vast ook nog een vreemde taal. En toch wil je die bergen in de verte vanochtend nog bereiken.

Dan zet je het op een lopen. Een slip van een jurk waait tegen je knie, een arm schampt langs je heup, de middelste vrouw roept iets. Je weet niet of het voor jou of voor een van haar vriendinnen bestemd is.

Je rent maar door, je hebt vleugels gekregen. Het pad daalt en stijgt, maar zelfs bij de scherpste rotsblokken val je niet.

Eindelijk zijn ze ver achter je.