De boeken van het najaar

Houden Duitsers niet van poëzie? Opvallend in de najaarsaanbiedingen van Engelse en Franse en Duitse uitgevers is dat in Duitsland maar één dichtbundel aangekondigd wordt: Schädelbasislektion van Durs Grünbein. In Frankrijk lijkt een wisseling van de wacht gaande: jonge auteurs als François Bon, Jean Echenoz en Arthur Bernard zijn in opkomst. In Engeland hebben veel van de bekende auteurs nieuwe boeken: Anthony Burgess, Peter Carey, Margaret Drabble, en natuurlijk, A.N. Wilson.

Engels

De meest opvallende titel tussen de Engelse romans voor dit najaar is die van Anthony Burgess: Mozart and the Wolf Gang - zowel om het spel met de naam als om het blijk dat Burgess niet genoeg heeft van romanschrijven. Net als Graham Greene twintig jaar geleden heeft hij aangekondigd of laten doorschemeren dat hij na zijn zeventigste op zou houden; al geloofden wij hem maar half, de onzekerheid maakt dat ieder volgend boek verrast als een toegift.

Van de meeste bekende auteurs werd niet anders verwacht dan volgende boeken. Van Peter Carey, die de Bookerprijs drie jaar geleden gewonnen heeft met Oscar and Lucinda, verschijnt deze herfst The Tax Inspector; van Martin Amis die tot ergernis van velen vorige keer niet eens op de nominatie van zes stond, Time's Arrow; van Margaret Drabble, die gezegd heeft dat zij zulke prijsjes niet wil, The Gates of Ivory, waarvan het verhaal aansluit op haar vorige twee romans.

Ook Anita Brookner is er weer (A Closed Eye); en A.N. Wilson die nooit van zijn leven een jaar zal overslaan (Daughters of Albion); en Michael Frayn die na zijn carrière als toneelschrijver teruggekeerd is tot de roman (A Landing on the Sun).

Onder de oudere schrijvers lijkt Bernice Rubens, een goede bekende sinds meer dan dertig jaar, het hardst gewerkt te hebben: haar Mother Russia speelt in Rusland van 1917 tot nu, en er wordt meteen een tv-serie van gemaakt. Dat is pas modern uitgeverswerk.

Wat de jongste schrijvers betreft, er bestaat een indruk die binnenkort bevestigd of uitgewist zal worden dat er ten minste twee zijn die iets bijzonders te vertellen hebben: Lawrence Norfolk (Lemprière's Dictionary) en Tim Parks (Goodness).

Van de verhalen zullen waarschijnlijk nog steeds de beste verkoopcijfers behaald worden door Roald Dahl's Collected Short Stories, al zijn die eerder in andere bundels verschenen. Er komen nieuwe verhalen van Margaret Atwood (Wilderniss Tips), Nadine Gordimer (Jump) en Doris Lessing (in een deel mengelwerk aangeduid als stories and sketches: London Observed).

De sectie biografieën van het najaar wordt gedomineerd door de familie Waugh. De brieven die Evelyn van 1932 tot 1966 gewisseld heeft met Lady Diana Cooper (eerst het mooiste meisje van Londen, later de vrouw van Duff Cooper die ambassadeur werd in Parijs) zijn door Artemis Cooper verzameld onder de titel Mr Wu and Mrs Stitch; ook verschijnen de tweede helft van zijn biografie (1939-1966) door Martin Stannard, No Abiding City, en de autobiografie van zijn zoon Auberon, bekend als columnist en criticus: Will This Do?

Lezers van Nigel Nicolson's Portrait of a Marriage krijgen gelegenheid tot nadere studie van de latrelatie van zijn ouders in hun briefwisseling die hij heeft verzorgd, Vita and Harold 1910-1962. De tien jaar oude biografie van George Orwell door Bernard Crick, die alle papieren ter inzage had gehad maar met zijn interpretatie het misnoegen van de weduwe Sonia opwekte, heeft het gezelschap te wachten van een tweede definitieve Orwell door Michael Shelden - onbedreigd door Sonia want zij is intussen overleden. Over D.H. Lawrence wordt onafgebroken geschreven, maar nu komt er een biografie waar drie geleerden aan gezet zijn die ieder een deel behandelen; dit najaar verschijnt het eerste, over de jaren 1885-1912 door John Worthen.

De recente toneelgeschiedenis wordt verrijkt met het tweede deel van de autobiografie van John Osborne, Almost a Gentleman waarin hij vertelt over zijn leven van 1956 af toen Look Back in Anger het Londense schouwburgpubliek overviel.

Onder de auteurs van kritisch werk valt A.S. Byatt op, nu wij haar vorig jaar goed hebben leren kennen uit Possession; zij heeft essays bijeengebracht onder de titel Passions of the Mind. Zo gauw mogen we geen volgend werk verwachten van Dale Salwak, die tien jaar bezig geweest is aan een studie van het oeuvre van Kingsley Amis: Modern Novelist.

Ter ontspanning komt er voor lezers die terugverlangen naar een tijd toen wij allemaal vredige rokers waren Tobacco van V.G. Kiernan, een studie van drie eeuwen tabaksgebruik.

Frans

Hoewel er vergeleken bij voorgaande jaren sprake is van een zekere teruggang, heeft ook de rentrée littéraire 1991 veel weg van een zondvloed. Er verschijnen de komende maanden in Frankrijk 208 nieuwe romans waaronder 47 debuten, een groot aantal briefwisselingen, biografieën, en essays, en daarnaast nog eens tweehonderd boeken van buitenlandse auteurs in vertaling. Van de debuutromans is er één opgenomen in de eerste voorselectie voor de Prix Goncourt, l'Etoile du chien van Bernard Puech, dat door de uitgever, Corti, is aangekondigd als een meesterwerk. Een andere beginneling die zich dank zij lovende kritieken al aan de anonimiteit ontworsteld heeft, is de tweeëntwintigjarige David di Nota, schrijver van Festivité locale (Gallimard).

Tot de auteurs die al eerder van zich deden spreken maar wier reputatie als romanschrijver zeker nog niet gevestigd is, behoren onder andere Détambel, Japrisot, Kristeva, Laclavetine, Rio en Volodine. Le long séjour van Régine Detambel (Julliard) speelt in een bejaardentehuis en betrekt met een knap gebruik van de tweede persoon de lezer bij situaties waarvan hij tegen beter weten in hoopt dat hij er nooit in terecht zal komen. Un long dimanche de fiançailles van Sébastien Japrisot (Denoël) is gesitueerd in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Na vorig jaar een matige sleutelroman over de Parijse intellectuelen in de jaren zeventig (Les Samouraïs) gepubliceerd te hebben, beproeft de semiologe en psychoanalytica Julia Kristeva opnieuw haar geluk met Le vieil homme et les loups. Jean-Marie Laclavetine figureert op de lijst van gegadigden voor de Goncourt 1991 met En Douceur (Gallimard), een roman over een arts die behalve zijn eigen vrouw nooit iemand gedood heeft. Michel Rio schreef met Faux Pas (Seuil) een parodie op het genre van de thriller. De eenenveertigjarige Antoine Volodine publiceert dit najaar bij Minuit zijn tweede roman Alto Solo. De nieuwe generatie Minuit-auteurs - François Bon, Jean Echenoz, de Goncourt-winnaar van vorig jaar, Jean Roudaut, en de eveneens succesvolle Jean-Pierre Toussaint van wie voor het einde van het jaar een vierde roman verwacht wordt - is dit jaar uitgebreid met de debutant Arthur Bernard (La chute des graves). Van de oudere Minuit-auteurs publiceert alleen Robert Pinget eind november een korte nieuwe tekst. Van Beckett verschijnt postuum begin oktober Cap au pire. Een in Frankrijk ten onrechte nog weinig bekende auteur is de in 1956 uit Hongarije gevluchte Agota Kristof, die met Le troisième mensonge (Seuil) het derde deel van een in haar geboorteland gesitueerde trilogie publiceert.

Terwijl er in de bellettrie een wisseling van de wacht gaande lijkt - deze rentrée littéraire telt veel jonge schrijvers en betrekkelijk weinig gevestigde namen - zijn de vermeldenswaardige publikaties op het gebied van de menswetenschappen voor het merendeel juist afkomstig van beroemde auteurs. Zo verschijnt van de nu drieëntachtigjarige antropoloog Claude Levi-Strauss bij Plon Histoire de lynx, een analyse van een aantal Indiaanse mythes over de oorsprong van de natuurverschijnselen wind en mist, een toegift op zijn opus magnum het vierdelige Mythologiques. In de serie "Les dossiers Belfond' is een studie over Claude Levi-Strauss van Marcel Henaff opgenomen. De filosoof Deleuze en de psychoanalyticus Guattari die in 1972 met hun Anti-Oedipe veel opzien baarden, bundelden opnieuw hun krachten in een gezamenlijk geschreven en door Minuit uitgegeven essay, dat als men afgaat op de titel Qu'est-ce que la philosophie, fundamentele vraagstellingen niet uit de weg gaat. Onder de categorie geschiedenis van de intellectuelen valt de Histoire du structuralisme (1945-1966) van de historicus François Dosse waarin de ontstaansgeschiedenis van het structuralisme tegen de achtergrond van politieke en sociale ontwikkelingen geschetst wordt.

Mocht het hiernamaals eruitzien als in de Huis Clos van Sartre, dan ergert deze zich daar ongetwijfeld in gezelschap van Simone de Beauvoir mateloos aan wat er door het nageslacht met zijn leven en zijn ideeën wordt gedaan. Albin Michel geeft dit najaar een studie uit van Gilbert Joseph waarin de houding van het beroemde intellectuelenpaar tijdens de oorlogsjaren wordt belicht. De kritische teneur van deze studie die al in de titel tot uitdrukking komt, Une si douce occupation, zal koren zijn op de molen van diegenen die in de recent gepubliceerde correspondentie en biografieën van Sartre en De Beauvoir aanleiding zagen om een flinke beeldenstorm te ontketenen. Van Sartre zelf verschijnt bij Gallimard La reine Albemarle et le dernier touriste, een bundel reisimpressies over Italië. Eveneens bij Gallimard komt een verzameling korte politiek getinte stukken uit van Sartres protégé Jean Genet.

Uitgaven om verder nog in de komende maanden naar uit te zien zijn Lettres à la NRF van Céline bij Gallimard, het eerste deel van de verzamelde werken van Alexis de Tocqueville en van de essays van Yourcenar in de Pléiade, de correspondentie van Rousseau met de staatsman Malesherbes (Flammarion), de Voyage en Egypte van Flaubert (Grasset), een Journal intime van Apollinaire (Ed. du Limon) en een nieuwe bundel opstellen van de filosoof Paul Ricoeur over het resultaat van de bezigheid waar het in dit stuk om draait, Lectures (Seuil).

Duits

Voorlopig lijkt het erop dat de Duitse letterkunde met een bijna allesomvattend thema is verrijkt. Bij de grote uitgeverijen Fischer, Luchterhand en Piper verschijnt proza waarin de opheffing van de DDR en het failliet van een ideologie centraal staan. Berouwvol, droevig of rancuneus kijkt men op naar wat niet meer is. Veel oudere auteurs uit de opgedoekte staat vinden het moeilijk om hun draai weer te vinden, maar daar staat tegenover dat er nu schrijvers naar voren komen die in het land van de Socialistische Eenheid geen schijn van kans hadden.

Tot deze oudere generatie behoort Günter de Bruyn. In zijn nieuwe essaybundel Jubelschreie, Trauergesänge geeft hij zowel lucht aan zijn angsten over de gevolgen van de hereniging als aan zijn blijde verbazing over de "veertig jaar lang ongebroken kracht van de Duitse cultuurnatie'. De tot voor kort geheel onopgemerkt gebleven auteur Reinhard Jirgl (1953) geeft in de roman Im offenen Meer een beeld van een generatie die achter de "antifascistische verdedigingswal' van Honecker nog een andere muur heeft gebouwd, een muur van afweer tegen de staat. Ook Stille Zeile Sechs, de nieuwe roman van Monika Maron (1941), gaat over een aftocht, en over het zoeken naar "de dader in onszelf'. In Die Nacht danach und der Morgen brengt Uwe Saeger (1948) verslag uit van de hoon die de afgedankte soldaten van de "Grenzschutztruppen' ten deel viel toen de Muur massaal bestormd en afgebroken werd. Tilman Spengler (1947) komt niet uit de DDR en hij schrijft er ook niet over, maar wel steekt hij de draak met welke heilsleer dan ook. Zijn roman Lenins Hirn is tevens een wetenschapssatire. De neuroloog Oskar Vogt snijdt Lenins hersenen in 30.000 plakjes om te bewijzen hoe geniaal de man wel was.

Door de chaos in Oost-Europa wordt het gezicht van de Duitse letterkunde voortdurend veelzijdiger. De volksverhuizing naar de Bondsrepubliek houdt aan, en vele Duitstalige schrijvers verhuizen mee. Zij die in het voormalige Oostblok blijven kunnen nu weer zonder al te veel tegenwerking in het Duits schrijven. Voor dit seizoen bieden met name Suhrkamp, Insel en Rowohlt literair werk van deze minderheden aan. Die laatste uitgeverij komt met het essay Wenn die Dinge aus dem Namen fallen, waarin de al meer dan tachtig jaar in het Westen levende Dieter Schlesak nagaat wat er sinds 21 december 1989 in Boekarest gebeurde. Franz Hodjak (1944), woonachtig in de Duitse enclave Klausenburg midden in Transsylvanië, noemt de parabels en grotesken uit zijn bundel Zahltaq "variaties op het thema van de omgekeerde wereld, de gestolen toekomst, de uitgedroomde illusies'. De 64-jarige Georgische schrijver Giwi Margwelaschwili werd in 1946 uit Wenen naar Tbilisi ontvoerd en daar, aan de Turks-Russische grens, leeft hij nog steeds. In het speelse heldendicht Muzal vervlecht hij de geschiedenis van Georgië met zijn eigen onwaarschijnlijke levensverhaal.

Belangwekkend in de wereld van de klassieke Duitse letteren is de door S. Fischer aangekondigde uitgave van Thomas Manns Tagebücher 1949-1950: “Chicago, Shoreland, vrijdag 25-7-50. Waarom schrijf ik dit allemaal? Om het nog net voor mijn dood te vernietigen? Of wil ik dat de wereld mij kent? Ik geloof dat ze, althans onder kenners, toch al meer van mij weet dan ze wil toegeven.” Van de in 1982 overleden Thomas Mann-biograaf Peter de Mendelssohn verschijnt postuum Der Zauberer - Jahre der Schwebe: 1919 und 1933; Nachgelassene Kapitel, Register. Martin Walsers epos Die Verteidigung der Kindheit is inmiddels met veel bombarie gelanceerd en niet onverdeeld gunstig ontvangen. Kennelijk konden niet alle critici 520 bladzijden lang geduld opbrengen voor het verwekelijkte moederszoontje Alfred Dorn. In de categorie "zeer ambitieus' valt ook de romancyclus "Die Archive des Schweigens', die de Oostenrijker Gerhard Roth (1942) zojuist voltooide. Het laatste deel, Die Geschichte der Dunkelheit, gaat over antisemitisme, en gezien het onderwerp is de sfeer dit keer misschien wat minder verstild dan bij Roth meestal het geval is. Günter Herburger (1932) had een "visioen van het verzoende leven', dat hij trachtte vast te houden in zijn onlangs afgeronde Thuja-trilogie. Het stadje Barberswila vormt het decor voor Stilles Gelände am See, de fantasmagorische roman van Gerold Späth (1939), die zelf in Rapperswil bij Zürich ter wereld kwam.

Echte debuten zijn er deze herfst niet bij. Van de jongere schrijvers uit de "oude Bondsrepubliek' noemen we de ex-metselaar Ralf Rothmann (1953) met zijn roman Stier, een lofzang op de Berlijnse subcultuur van de jaren zeventig, en Doris Dörrie (1955), die het ene boek na het andere over het leed van eigentijdse paren schrijft; Für immer und ewig, het nieuwste, noemt zij met een knipoog naar Schnitzlers scandaleuze toneelstuk uit het fin de siècle "een soort reidans'. Hartmut Lange, Patrick Süskind (Het parfum) en Erich Hackl hebben een voorkeur voor een traditionele manier van vertellen met elkaar gemeen. Zij zijn dan ook allemaal ondergebracht bij Diogenes, de Zwitserse uitgeverij die het credo hanteert dat de lezer zich nooit mag vervelen. Heerlijk melancholiek stemt Lange's novelle Die Reise nach Triest. Süskinds Geschichte von Herrn Sommer is voor alle leeftijden bedoeld, net als Erich Hackls feministische sprookje König Wamba.

Aan poëzie willen de gerenommeerde uitgeverijen hun vingers blijkbaar niet branden. Schädelbasislektion van Durs Grünbein is de enige dichtbundel die deze herfst het licht ziet. Grünbein drukt zich weinig zachtaardig uit. Voor deze 29-jarige Berlijner betekent taal: "Wraak van het vlees-door het strottehoofd' en verder niets.