De architectuur van het stadspark; Aan bloemen beginnen we niet meer

Tot in de vorige eeuw bestonden parken alleen als buitens van rijke lui. Ze waren voorzien van beelden, priëlen, watervallen en nep-rotspartijen. Nu is het park een vanzelfsprekend onderdeel van de stad maar daarnaast zijn nieuwe soorten parken ontstaan. Een voorbeeld van een park-moderne-stijl is het in Parijs gelegen La Villette, dat in binnen- en buitenland navolging heeft gekregen. “Het park moet spetteren, het groen komt op de tweede plaats.”

Het Nederlands Architectuur Instituut heeft vanaf 16 november een expositie over nieuwe parkontwerpen. Het juni-nummer van het tijdschrift De Blauwe Kamer en het recent verschenen boek "Het Montagelandschap: het Stadspark als actuele ontwerpopgave' van samenstellers E. van der Kooij en C. Steenbergen, uitg. TU Delft, geven een overzicht van recente ontwikkelingen.

Met een wisselend gezelschap sierkippen in zijn kielzog - wier taak het bestrijden van onkruid is - wandelt landschapsarchitect Pieter van Loon door het Amstelpark in Buitenveldert. Hun gepruttel en getok geeft een onverwacht landelijke sfeer aan het verder tamelijk zakelijke park, dat voor de Floriade van 1972 werd aangelegd.

In opdracht van de stadsdeelraad Buitenveldert werkt Van Loon, oprichter van het bureau Hollandschap, aan de herinrichting van het Amstelpark. Deze zomer is het Rosarium feestelijk heropend. “Een Floriade moet in een paar maanden tijd miljoenen bezoekers verwerken”, vertelt hij. “De paden waren daarom twee keer zo breed en de rozen stonden allemaal in vakken ingedeeld. De hagen hebben we natuurlijk zo veel mogelijk in stand gehouden. Ze zijn prachtig, bovendien zit er twintig jaar knipinvestering in.”

Al bij de ingang bleek het Amstelpark in een aantal opzichten anders dan andere parken: het wordt bewaakt, je mag er niet fietsen en er staan zowaar rozen in het Rosarium. Niet een paar, maar echte vlakken met witte, gele, roze en rode bloemen die nu nog, laat in het seizoen, hun geur aan de bries meegeven. Haaks op de slingerende paden staan hoge rechte hagen.

Verderop zijn achter een strakke platanenlaan, tot bollen en zuilen geschoren ligusters in geheimzinnige patronen gegroepeerd. Van de "attracties' die toen voor de Floriade zijn aangelegd, is deze Belgische tuin nog het meest intact. Het Duitse paviljoen heeft echter weinig meer allure dan de ingang van een parkeergarage, en het roestige hek met prikkeldraad bij de zuidelijke entree, om de hoek van het bekende beeld van Rembrandt aan de Amstel, lijkt de poort van een strafkamp. Achteraan staan nog een paar vermoeide kermisattracties en vier gedweeë pony's, maar vanmiddag is de actie aan de hoofdvijver te vinden: daar is een kinderpartijtje aan de gang, met ijs met parasolletjes en witte wijn voor de ouders.

Anders dan het Vondelpark (happenings) of het Amsterdamse Bos (sport) is het Amstelpark een typisch "flaneerpark'. Zonder dat karakter aan te tasten kan het er volgens Van Loon nog veel levendiger worden, bijvoorbeeld met een combinatie van horeca, een concerttuin en een steiger voor rondvaartboten. “Maar dan moet het Amstelpark wel aansluiting krijgen op de Amstel. Die ligt daar achter die blinde groene muur. Zal ik je een zetje over het prikkeldraad geven?”

Crack

De design-hausse van de jaren tachtig strekt zich ook uit tot de openbare ruimte. In brede kring wordt nagedacht over hoe de Kop van Zuid in Rotterdam en de IJ-oevers in Amsterdam vorm moeten krijgen, het straatmeubilair op de Nieuwmarkt en het Damrak in Amsterdam maakt de tongen los, en bestuurders en ontwerpers hebben ook het park ontdekt. Aan welke eisen zal het park in de toekomst moeten voldoen? En vooral: hoe ziet het ideale stadspark eruit?

Net als elders in de stad zijn in het park de sporen van maatschappelijke veranderingen zichtbaar. Zo meldde een Engelse krant deze zomer op het hoogtepunt van de komkommertijd, dat wandelaars in het Newyorkse Central Park werden lastiggevallen door eekhoorns die dol waren geworden na het snuiven aan weggeworpen crack-ampullen. De volgende dag werd het bericht ontkend in de International Herald Tribune, maar de grap heeft wel een serieuze ondertoon: het stadspark is geen idylle meer.

Dat was het nog wel toen in de jaren dertig het Amsterdamse Bos als werkverschaffingsproject aan de rand van de stad werd aangelegd. Het proletariaat moest er "rustig genot' kunnen vinden, "ver weg van het benauwde grote-stadsgevoel en de toenemende spanningen van het moderne leven'. Nog altijd trekt het Bos veel mensen - vier miljoen bezoekers per jaar - maar het genot is steeds kortstondiger: de helft van de bezoekers is na anderhalf uur alweer vertrokken. Uit vrees voor "vergrijzing' ontvouwde het Amsterdamse Bos vorig jaar een actieplan om meer bezoekers te trekken, bijvoorbeeld door de entree duidelijker aan te geven en de roeibaan met twintig meter te verbreden.

Groenslopers

Een van de grootste problemen voor parken is het beheer en onderhoud. Landschapsarchitect Van Loon zou graag selectief in het Amstelpark kappen. “Als je 's zondags met het treintje hier doorheen rijdt zit je bijna alleen maar naar bush-bush te kijken. Veel parken zijn mettertijd dichtgeslibd, eenvoudigweg omdat het kappen altijd gevoelig ligt.”

Hoe gevoelig, blijkt uit de buurtoorlog die nu woedt rondom het Sarphatipark, relatief het drukst bezochte park van de Amsterdam. Er is ruim vier miljoen beschikbaar voor de renovatie, maar dat houdt ook kappen in. Daarover vliegen de deelraad en het Comité tot behoud van het Sarphatipark elkaar naar de keel. De wijkwethouder zegt bedreigd te zijn en op affiches bij de ingang van het park maakt het comité de bestuurders uit voor groenslopers, asfaltpleiners en machtsonkruid. In het midden van het park kijkt het borstbeeld van Sarphati onverstoorbaar trots uit over zijn creatie, een groene verademing te midden van deze dichtbevolkte wijk, maar lager bij de grond hangt de walm van hondepoep.

Langs de joggingpaden van het Amsterdamse Bos staan de brandnetels een meter hoog, en de zes tuinmannen die aan het Vondelpark zijn toebedeeld, zijn zichtbaar te weinig. Bloemen, daar begint Amsterdam eenvoudigweg niet meer aan. “Dat is al zo'n tien jaar zo,” zegt Jan Bezemer, jarenlang hoofd Groenvoorziening en nu van Stedelijk Beheer. Hij werkt in een gezellige keet achter het landgoed Frankendael. Tussen de bakken met bodembedekkers scharrelen ook hier sierkippen rond. “De mensen willen graag bloemen, maar de politiek heeft het geld er niet voor over.”

Neprotsen

Tot in de vorige eeuw bestonden parken alleen als buitens van rijke lui. Ze waren voorzien van beelden, priëlen, tempels, uitzichtpunten, zelfs follies, watervallen en al dan niet nep-rotspartijen; vaak school er in de inrichting iets moralistisch. Het Bois de Boulogne en Bois de Vincennes in Parijs waren een doorbraak, evenals Hampstead Heath en Regent's Park in Londen en Central Park in New York, het eerste openbare park van Amerika, dat Olmsted en Vaux midden vorige eeuw ontwierpen voor een - toen nog onbebouwd - deel van Manhattan.

Het beroemdste Nederlandse voorbeeld is het Vondelpark van de Haarlemse tuinarchitect Zocher, een particulier initiatief van de familie Van Eeghen en het enige park waarbij statutair is vastgelegd dat honden er vrij mogen rondlopen. Volgens het recept van de Engelse landschapsstijl (“Ik schilder met bomen”, zei de achttiende-eeuwse landschapsarchitect Capability Brown) wilde Zocher een romantisch stuk natuur creëren, een illusie van het paradijs met slingerende paden en beekjes en zelfs een weide met koeien. Net als Central Park lag het Vondelpark toen aan de rand van de stad, maar in de loop van de eeuw is het een belangrijke doorgangsroute geworden. Dit terloopse gebruik blijkt een voorname oorzaak van het succes van het Vondelpark te zijn.

In de jaren twintig kregen parken er nog een functie bij: tussen de schilderachtige opstanden kwamen weides voor sport en spel, heilzaam voor lichaam en geest. Met de opkomst van het Nieuwe Bouwen werden dezelfde principes geïncorporeerd in de woningbouw: geen wanordelijke stegen en blokken meer, maar eerst tuinsteden en later keurige gestapelde stroken, met licht en lucht en groen omgeven. Na de oorlog werden deze goede bedoelingen geïnstitutionaliseerd: geen nieuwe woonwijk zonder groennorm! Ook de Bijlmermeer - evenals het Amsterdamse Bos een ontwerp van de Amsterdamse stedebouwkundige Juffrouw Mulder - berustte op het idealistische principe van "wonen in het park', totdat de struiken vooral een schepnet bleken voor rondwaaiend vuilnis en schuilplaats voor boeven.

Grand café

Van een stuk nagebootste natuur in de stad is de nadruk verschoven naar het park als een sociaal ontmoetingspunt. Architecten buigen zich erover alsof ze het zoveelste grand café aan het inrichten zijn. Op tekentafels door het hele land liggen ontwerpen voor parken, plantsoenen en pleinen waarin de vormgeving de natuur heeft verdrongen.

Voor het park Overbos in Beverwijk bedacht het jonge Rotterdamse bureau West 8 een palmenboulevard, een wilgenplantage met elanden en een groene asfaltloper. Het Museumpark in Rotterdam van Rem Koolhaas en Yves Brunier bevat behalve een zone van wit grind met daarin witgeverfde appelbomen, ook een podium van zwart asfalt en een bloemenweide met statige oude bomen. Deze maand bespreekt de gemeenteraad van Groningen een voorstel om het verwaarloosde Stadspark een facelift te geven met een rand kantoorbebouwing en een nieuwe entree naar klassiek voorbeeld: vier rijen beuken, fonteinen, een hedendaags vormgegeven poort en een "knallende' bloementuin.

Ook pretparken doen een beroep op de "erkende' architectuur. Zo haalt het Disney-imperium grote namen uit de bouwkunst binnen als Michael Graves, Frank Gehry, Gwathmey & Siegel, Arata Isozaki en Robert Stern. Onder de kop Look, Mickey, No Kitsch! schreef Time Magazine onlangs in een uitvoerige reportage: “Disney has become the premiere patron of architecture of the late twentieth century, commissioning major works by a majority of the world's most celebrated architects.”

Een park vol "attracties' is geen nieuw verschijnsel, je zou het juist als een postmodern teruggrijpen op de geschiedenis kunnen zien. De Floriade van volgend jaar bijvoorbeeld wordt aangelegd volgens een hedendaagse variant op de zeventiende-eeuwse pate d'oie, de ganzenvoet, en er worden follies in geplaatst. Voor zijn ontwerp voor het Kromhout-park in Tilburg haalt het Amsterdamse bureau Bakker en Bleeker onverholen inspiratie uit de negentiende-eeuwse romantiek. Als een verwijzing-met-knipoog werd zelfs de maquette in een vergulde lijst gepresenteerd. Vanaf een strakke, met bomen omzoomde rand voeren verschillende paden - van water, van mozaïekscherven, een muur van witte en blauwe regen, een arcade met rozen - naar een zacht ruizend bamboebos. Toen de opdrachtgever dit onveilig bleek te vinden, kwam er een vijver met grillig gevormd eilandje voor in de plaats.

In de ogen van Adriaan Geuze (30), mede-oprichter van het bureau West 8 en Prix de Rome-winnaar, is deze terugval in de romantiek een gruwel. “Ik wil het landschap ontromantiseren!” roept hij. “Er is veel te veel onnodig groen! Het park is in zijn eigen succes gestikt. Wat is het park nog als ieder rijtjeshuis een eigen landgoed heeft?”

Geuze typeert de ontwerpen van West 8 als scripts. Voor de Deltawerken bijvoorbeeld bedacht hij grote zwart-witte vlakken van schelpen; voor een Haagse buurt uit de jaren vijftig (“Lastig, het is er al zo groen”) ontwerpt West 8 een parkplein waar het gras en de bomen geleidelijk overvloeien in betonnen Stelcon-platen. Het ontwerp voor het Schouwburgplein in Rotterdam bevat onder andere een gestanste en geëtste metalen ondergrond, een "mobiele groenstructuur' van honderd verrijdbare palmen of kerstbomen en vier lichtmasten als beweegbare kranen van 35 meter hoog, inworp één gulden. “Dit is het enige plein in Nederland met een skyline. Dat is toch fantastisch?” Het park als videoclip, maar dan wel voorbehouden aan de flitsende bevolkingsgroepen: bejaarden en moeders met kleine kinderen lezen niet dit script, maar een beduimelde paperback.

Hiërarchie

Tot in de jaren tachtig ging het in het parkontwerp vooral om de vraag, op welke manier de natuur moest worden benaderd. Zonder dat er ooit een park van de twintigste eeuw is uitgekristalliseerd is het zoeken begonnen naar het park van de 21ste eeuw.

Begin jaren tachtig kondigde Parijs dit park van de 21ste eeuw aan: op een leeg terrein van ruim vijftig hectare in het noordoosten van de stad zou het Parc de la Villette worden aangelegd. Uit de 473 inzendingen voor de prijsvraag werd die van de Frans-Zwitserse architect Bernard Tschumi gekozen. “De architectuur is altijd uit geweest op een synthese, op het samenbrengen van alle eisen en randvoorwaarden in een harmonieus geheel”, zei hij in een interview in Archis in 1988. “Ik haat het woord "harmonieus'! Conflicten en botsingen kenmerken de hedendaagse realiteit. Daar is niets negatiefs aan.”

In zijn kruistocht tegen de harmonie legt Tschumi verschillende autonome structuren over elkaar heen van punten (felrode gebouwtjes, "follies', die aan het Russisch constructivisme herinneren), lijnen (promenades) en vlakken met daarin grasvlaktes of kleine thematische tuinen, zoals bamboe met het geluid van kikkergekwaak. Zijn stelling is dat hiermee elke ervaring van structuur teniet wordt gedaan, maar in de praktijk zijn de follies en de promenades te nadrukkelijk aanwezig: als bezoeker ben je je voortdurend van die strenge ordening bewust.

“La Villette heeft het traditionele beeld van wat een park is en kan zijn, stevig door elkaar geschud”, zegt landschapsarchitect Lodewijk Baljon, die bij het Amsterdamse bureau Bakker en Bleeker aan een inzending voor La Villette werkte en binnenkort op deze veelbesproken prijsvraag promoveert. “Ineens bleek het park behalve een groene plek, ook een cultureel verschijnsel. Er moest niet alleen een groenbeheerder komen, maar ook een conservator.”

Volgens Baljon is in de nieuwe generatie parkontwerpen de invloed van La Villette duidelijk te merken. “Het park moet spetteren, het groen komt op de tweede plaats. Maar persoonlijk moet ik er niet aan denken dat èlk park zo'n opgedrongen serie belevenissen zou zijn als La Villette: het is een heftige aanslag op de zintuigen.”

Sokkel

Ook op kleine schaal komt er steeds meer design aan het groen te pas. Naar voorbeeld van de fraaie nieuwe plaças van Barcelona grijpen ontwerpers in Nederlandse stadsvernieuwingswijken naar sculpturale middelen om het beetje openbare ruimte dat er is, een duidelijk gezicht te geven. Net als voor het stadspark geldt hier, dat groen niet meer het doel is, maar één van de middelen uit de paint box van de ontwerper.

Midden in de Haagse Schilderswijk heeft de Portugese architect Alvaro Siza het Van de Vennepark verwerkt, een kleine groene driehoek bovenop een parkeergarage. De wit betegelde vijver is helaas leeg. De voornamelijk mediterrane, mannelijke bewoners uit de buurt beschouwen de straat en het park duidelijk als een vanzelfsprekend verlengstuk van de theehuizen aan de overkant. Met nauwelijks verborgen verbazing kijken de bezoekers op: ik ben niet alleen de enige vrouw in de wijde omgeving, maar ook als enige niet afkomstig uit hun cultuur.

Het Joubertplantsoen, amper een halve hectare midden in de Haagse Transvaalbuurt, is nog nadrukkelijker van vorm. Het bestaat voor het grootste deel uit twee golven van gras, met bomen op de hoogste punt: het groen staat op een sokkel. Op de maquettefoto's die ik heb gezien waren die bomen groot en weelderig; nu verschansen ze zich nog in een borstwering van gaas. De betonnen zitbanken eronder hebben meer weg van barricades dan van straatmeubilair en de twee zwarte granieten zuilen op het plein lijken nog het meest op een oorlogsmonument. “Ter herinnering aan de strijd voor de stadsvernieuwing 1975-1990”, luidt de inscriptie. In de andere zuil staan de namen van bewoners gegraveerd: Yavuz, Aruna, Fatih, Müberra, Angelique - alsof ze er begraven liggen.

Een uitspraak uit 1756 van de Franse architectuurtheoreticus Laugier lijkt verrassend actueel: “Er moet regelmaat en fantasie zijn, relaties en tegenstellingen, toevalligheden, onverwachte elementen die het beeld verlevendigen; grote orde in de details; verwarring, rumoer en tumult in het geheel.” Niet meer met hark en schoffel, maar met passer en liniaal wordt het park van de toekomst vormgegeven: eerder een groot groen plein dan een openbare tuin.