David Gates: Jernigan. Uitg. Alfred Knopf, 238 ...

David Gates: Jernigan. Uitg. Alfred Knopf, 238 blz. Prijs ƒ 50,20 Lily Tuck: Interviewing Matisse, or The Woman Who Died Standing Up. Uitg. Alfred Knopf, 148 blz. Prijs ƒ 45,- Michael Chabon: A Model World and Other Stories. Uitg. William Morrow, 207 blz. Prijs ƒ 47,40 Nick Tosches: Unsung Heroes of Rock 'n' Roll - The Birth of Rock in the Wild Years Before Elvis. Uitg. Harmony Books, 276 blz. Prijs ƒ 26,50. Ken Siman: Pizza Face, or The Hero of Suburbia. Uitg. Grove Weidenfeld, 179 blz. Prijs ƒ 42,90.

De Amerikaanse literatuur heeft een indrukwekkende reeks onsympathieke helden voortgebracht. De monomane kapitein Ahab uit Moby-Dick, de arrogante egoïst uit John Kennedy Toole's A Confederacy of Dunces, de nerveuze psychopaten van Edgar Allan Poe - je zou ze geen van allen willen ontmoeten, maar hun verhalen zijn er niet minder meeslepend om. Ook Jernigan, de hoofdpersoon van de gelijknamige debuutroman van David Gates, is zo'n Amerikaanse antiheld. Hij is passief en nihilistisch, een mislukte vader, een jaloerse minnaar, en een alcoholist die gin drinkt uit colablikjes om zijn omgeving te misleiden. Zijn enige goede eigenschap lijkt zijn eerlijkheid. Peter Jernigan is een specialist in alledaagse wreedheid en hij doet zich niet beter voor dan hij is. In een vlakke, cynische stijl, die reliëf krijgt door snelle dialogen en literaire grapjes, beschrijft hij de gebeurtenissen die voorafgingen aan zijn opname in een ontwenningskliniek: de dood van zijn vrouw bij een auto-ongeluk na een echtelijke ruzie, de slechte verhouding met zijn geremde zestienjarige zoon, zijn ontslag op een makelaarskantoor, het mislukken van zijn relatie met een vrouw die te goed voor hem is. Op medelijden van de lezer hoeft hij niet te rekenen, daarvoor slaat hij te wild om zich heen; bovendien lijkt hij een bijna masochistisch genoegen in zijn benarde toestand te scheppen. Jernigan wil geen medelijden: wie hem wil helpen wordt vernederd, wie aardig doet wordt genegeerd; liefde wordt beantwoord met achterdocht en een goedbedoelde kerstkaart verdwijnt ongeopend in de vuilnisbak - onder het motto "Let the good wishes go biodegrade themselves'. Sarcastisch en destructief gaat Peter Jernigan zijn ondergang tegemoet; zijn levensverhaal schokt en irriteert, maar zal niet gauw vergeten zijn.

David Gates: Jernigan. Uitg. Alfred Knopf, 238 blz. Prijs ƒ 50,20

Het opmerkelijkste aan de eerste roman van de in Frankrijk geboren Lily Tuck is de titel: Interviewing Matisse, or The Woman Who Died Standing Up. Wie het boek ter hand neemt, verwacht een absurdistische thriller of een artistieke sleutelroman, of een combinatie van beide. De eerste bladzijde laat nog alle mogelijkheden open. Molly belt Lily (de ik-figuur) en vertelt haar dat een vroegere wederzijdse vriendin dood in haar flat is aangetroffen - “propped up like a broom... Inez was dressed in only her underwear. She was wearing boots”. Maar in het nachtelijke telefoongesprek dat op dit nieuwsgierig makende begin volgt, worden de geheimzinnigheden rondom Inez' dood niet opgehelderd. Sterker nog, het onderwerp wordt angstvallig vermeden, en Inez komt alleen nog zijdelings ter sprake wanneer de twee niet meer zo jonge vrouwen herinneringen ophalen aan hun verleden. De tijd die ze ooit samen doorbrachten in mondain Frankrijk is het enige dat Molly en Lily gemeenschappelijk hebben. Eigenlijk zijn ze helemaal niet zo goed bevriend of in elkaar geïnteresseerd. Ze praten voortdurend langs elkaar heen - over hun gezin, hun bizarre kennissenkring, hun kwaaltjes, de gevaren van het leven in New York. Op den duur gaat dit vervelen; Tucks idee (het zo getrouw mogelijk weergeven van een urenlang telefoongesprek) is origineel, en ze schrijft zorgvuldige en overtuigende dialogen, maar de personages van Interviewing Matisse zijn net zo dood als de arme Inez, en zouden hoogstens door twee goede acteurs tot leven gewekt kunnen worden. De lezer blijft meer geïnteresseerd in de vrouw die staande aan haar eind kwam; of anders in de tekst van het Matisse-interview uit de titel.

Lily Tuck: Interviewing Matisse, or The Woman Who Died Standing Up. Uitg. Alfred Knopf, 148 blz. Prijs ƒ 45,-

Michael Chabon debuteerde in 1988 succesvol met de spannende ontwikkelingsroman The Mysteries of Pittsburgh. De korte verhalen die hij sindsdien publiceerde in het tijdschrift The New Yorker zijn nu verzameld in A Model World and Other Stories: twaalf studies in modern hartzeer die zich vooral onderscheiden door de overdaad aan mooie zinnen. A Model World valt in twee delen uiteen: na een aantal droefgeestige, losstaande verhalen over gedesillusioneerde gewone Amerikanen, volgen onder de noemer "The Lost World' zes momentopnamen uit de jeugd van Nathan Shapiro, een onooglijk jongetje dat zich moet handhaven tegenover zijn gescheiden ouders en zijn vriendjes op school. Het zijn sympathieke schetsen die in de verte doen denken aan de beroemde Nick Adamsverhalen van Hemingway; maar ze zijn erg summier en vormen samen niet meer dan het uittreksel van een Bildungsroman. Indrukwekkender zijn Chabons losse short stories. Over een honkbalpitcher die ooit veelbelovend was en zich op de begrafenis van een vroegere teamgenoot realiseert hoe mislukt zijn leven is. Over twee geliefden die elkaar diep gekwetst hebben (zij verliet het huis met zijn kostbare verzameling William Powelliana, hij verkwanselde uit wraak haar zeldzame Barbiepoppen uit 1958) en na wederzijdse processen toch weer verliefd op elkaar worden. En over Ira Wiseman, een eeuwige verliezer die op de bruiloft van zijn nicht geen indruk kan maken op de vrouw die hem fascineert. Chabon weet Ira's radeloosheid goed te treffen, en zijn weergave van een ongemakkelijke conversatie op de dansvloer behoort tot de mooiste alinea's van het boek:

“At last the bubble of silence between them grew too great, and Ira pierced it helplessly.

“Where did you grow up?” he said, looking away as he spoke.

“In hotels,” said Carmen, and that was that.”

Michael Chabon: A Model World and Other Stories. Uitg. William Morrow, 207 blz. Prijs ƒ 47,40

Iedere muziekliefhebber weet zo langzamerhand wel dat de geschiedenis van de rock 'n' roll niet begon op de dag dat Elvis Presley zijn eerste singles in de Sun studio's in Memphis opnam. In de jaren vóór 1954 experimenteerden al vele andere musici, zwart en blank, met nieuwe ritmes en subtiele mengvormen van rhythm & blues en country & western. De bewogen levens van deze pioniers werden zeven jaar geleden vereeuwigd in Unsung Heroes of Rock 'n' Roll, een klassiek boek over "rock in the wild years before Elvis' dat onlangs in een bijdetijdse versie werd herdrukt. Schrijver Nick Tosches, in Nederland vooral bekend door zijn Jerry Lee Lewis-biografie Hellfire, behandelt in Unsung Heroes achtentwintig solo-artiesten, duo's en groepen die wedijveren in onbekendheid. Wie heeft er ooit gehoord van de wonderlijke "Chinese hillbillies' Ming en Ling; of van Roy Brown, de ex-wedstrijdbokser die zeven jaar vóór Elvis een hit scoorde met "Good Rockin' Tonight' en na een stormachtig neergaande carrière met encyclopedieën langs de deur moest? Wie wist er dat Chuck Berry het beroemde gitaarloopje van "Johnny B. Goode' gapte van de swing-grootheid Louis Jordan; dat Elvis zijn gewaagde bekkenbewegingen afkeek van de zingende baptistenzoon Wynonie Harris; en dat Nat King Cole zich vóór zijn establishment toelegde op pre- en proto-rock 'n' roll? Unsung Heroes wemelt van dit soort fijne weetjes. Tosches heeft ze elegant verwerkt in lyrische en mooi geïllustreerde minibiografieën, en completeerde zijn lofzang met een uitgebreide discografie.

Nick Tosches: Unsung Heroes of Rock 'n' Roll - The Birth of Rock in the Wild Years Before Elvis. Uitg. Harmony Books, 276 blz. Prijs ƒ 26,50.

Zelden is de sfeer van de jaren zeventig zo trefzeker opgeroepen als in het debuut van de uit North Carolina afkomstige Ken Siman (1962). Pizza Face, or The Hero of Suburbia is het ideale boek voor iedereen die in nostalgie terugdenkt aan trechterbroeken, acryltruien, Jimmy Carter en Led Zeppelin. Hoofdpersoon (en "pizza face' uit de titel) is de eenzelvige Andy, een homoseksuele puber die gebukt gaat onder een acne-variant waartegen geen kruid gewassen is. Veel vriendjes heeft hij niet, en daarom vlucht hij in zijn hobby's: schoonschrijven en het verzamelen van propagandamateriaal van politieke campagnes. Het geld dat hij verdient met de handel in zeldzame buttons besteedt hij aan pizza's en ander vlugvoedsel; in het handschrift van de Declaration of Independence schrijft hij fanmail aan Jimmy Carter en verzoekschriften aan lokale politici. Pizza Face is een bijna volmaakte tragikomedie; het boek volgt Andy op school, aan de universiteit en in de Washingtonse politiek - van het moment dat hij zijn eerste gipsen presidentje koopt tot de definitieve ruzie met zijn grote onbeantwoorde jeugdliefde, Ryan. Er valt veel en hardop te lachen, maar de literaire slapstick en zwarte humor verhinderen niet dat de lezer door Andy's lijdensweg geroerd wordt. Pizza Face is een van die boeken waarvan je hoopt dat ze nooit ophouden.

Ken Siman: Pizza Face, or The Hero of Suburbia. Uitg. Grove Weidenfeld, 179 blz. Prijs ƒ 42,90.