Bang voor spektakel; Jaaroverzicht van Nederlandse archtitectuur

Nederland. Uitg. Nederlands Architectuur instituut, 176 blz. Prijs f 65.

Behalve een uitstekend overzicht van de stand van de beste zaken in de vaderlandse architectuur bevat het Architectuurjaarboek altijd een waarschuwing. Vorig jaar repte Donald Lambert van de "martelgang van de stedebouw, kommer en kwel bij de opleidingen en een beroerde beroepspositie." Dit jaar is de toonzetting zo mogelijk nog somberder. Eindredacteur Ruud Brouwers begint in zijn inleiding met de onthulling van het gevaar van de toenemende publieke belangstelling voor de bouwkunst. "Het maken van goede sier met architectuur door opdrachtgevers en een oppervlakkig consumptiegedrag van het publiek kunnen de inhoud uithollen - Wat overblijft is een vernis, een buitenkant die een verschraalde lading aan het oog onttrekt." Vooral door de concurrentiestrijd tussen de steden, zegt Brouwers, is een zucht naar spektakel ontstaan en wordt steeds vaker een beroep gedaan op 'grootmeesters uit het buitenland'.

Ik dacht altijd dat het voor iedereen, zowel publiek als architecten, alleen maar goed was als er meer werd gelet op wat er waar wordt gebouwd en waarom. Al zit er wellicht een modieus element in die groeiende belangstelling-- daarmee hoeft de architectuur zich toch niet te laten degraderen tot een vernis rondom een verschraalde lading'? Daar zijn de architecten -- en hopelijk ook de opdrachtgevers -- zelf bij. Moeten de steeds grotere aantallen mensen die met de jaarlijkse Dag van de Architectuur erop uit trekken maar thuis blijven? Moet het debat over de invulling van Nederland maar weer tot vakkringen beperkt worden? Het is ook nooit goed!

In zijn essay toont ook Matthijs de Boer zich somber over de gapende kloof tussen schijn en wezen in de stedebouw. Ook voor de openbare ruimte is er steeds meer belang stelling, maar uiteindelijk kan de stedebouwkundige in het hele planningsproces nauwelijks een vuist maken. "De wet van de jungle heerst," verklaart hij onomwonden. "Uiteindelijk worden alle mooie bedoelingen opzij gezet wanneer Grondzaken en Verkeerszaken bij een plan betrokken worden. De ontwerper staat machteloos toe te kijken." Eigenlijk vreemd, vindt De Boer, niet in de laatste plaats omdat bouwers en beleggers er belang bij hebben om van te voren te weten hoe een gebied eruit komt te zien. Als voorbeeld van 'slachtoffers' van onduidelijk beleid noemt hij de IJ-oevers en het Museum Overholland. Hij suggereert dan ook om voor de inrichting van de openbare ruimte, net als voor de woningbouw, wettelijke eisen op te stellen.

Een type openbare ruimte dat zware tijden doormaakt, is het park. Zef Hemel ziet de rol van de I landschapsarchitect verworden tot die van "een stoffeerder die moet I proberen talloze constructieve fouten te verdoezelen". Er komen weliswaar veel nieuwe parken, waarbij La Villette in Parijs als lichtend voorbeeld dient, maar van het oude parkconcept uit de vorige eeuw is nauwelijks iets over. Ook hier rukken spektakel, commercie en technologie op, en Hemel citeert een prijsvraagontwerp voor Beverwijk dat voorzag in een door elanden begraasde wilgenplantage, een groene asfaltloper en een palmenboulevard. "Het park zal zich voortdurend moeten bewijzen tegenover andere vormen van vermaak waarmee de groeiende vrijetijdsindustrie de markt bestookt."

En de gebouwen? Wat het Jaarboek laat zien, is dat voor architecten met fantasie en doorzettingsvermogen van alles mogelijk is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de werkelijk bewonderenswaardige sociale woningbouw van Theo Bosch, Frits van Dongen, Arne van Herk, Lucien Lafour en Erna van Sambeek. Pieter Zaanen heeft de helft van de Beurs van Berlage nieuw leven gegeven als concertzaal, Kees Christiaanse en Mecanoo hebben Rotterdam verrijkt met een prachtige boulevard en een paviljoen.

In de oogst van dit vierde Jaarboek is voor de rest amper iets te zien van al dat spektakel waar de essayschrijvers zo bevreesd voor zijn. Ruud Brouwers omschrijft de stand van zaken in de Nederlandse architectuur als "het gestaag en stil voortgaan in de moderne traditie, zij het ontdaan van bevlogen idealistische aanspraken." Erg opwekkend klinkt het niet, en misschien wordt er juist daarom naar buitenlandse architecten gelonkt. De bouwkunst van eigen bodem staat met beide benen in de traditie van een halve eeuw geleden en is van een onuitroeibare degelijkheid. Laat het buitenland maar komen.