Atte Jongstra over een abstracte liefde; Ik bleef nieuwgierig naar Brussels lof

Atte Jongstra: Groente. Uitg. Contact, 198 blz. Prijs ƒ 34,90.

Om de Nederlandse literatuur van iedere blaam en vooral van elk luchtje te zuiveren, loofden Nicolaas Matsier en Willem van Toorn eind vorig jaar in deze krant een prijs uit. Degene die drie Nederlandse boeken zou weten te noemen waar spruitjes in voorkomen, zou beloond worden. Of de prijs is uitgereikt, zou ik niet weten, maar ik deel het bij die gelegenheid door Matsier en Van Toorn uitgesproken vermoeden dat het spruitje door Nederlandse schrijvers gemeden wordt.

Het komt vast nooit meer goed met het spruitje. Want zelfs in de roman Groente van Atte Jongstra wordt hij praktisch genegeerd. Van de 93 hoofdstukjes, omgeven door een bondige proloog en epiloog, is er niet één, zelfs niet het allerkleinste, dat gewijd is aan het spruitje. Waarom, zal men zich afvragen. Waarom wel aandacht voor kropsla, biet, tuinboon, Brussels Lof, boerenkool, radijs, sjalot, asperge, capucijner en vooral bloemkool, maar niet voor het spruitje? Het antwoord is eenvoudig. Het spruitje is een oninteressante groente. In plantkundig, historisch of letterkundig opzicht valt er geen eer aan te behalen.

Een spruitjeslucht stijgt dus niet op uit Groente, en evenmin een bloemkoollucht of enig ander onaangenaam of aangenaam aroma. Een van de opvallende kenmerken van deze roman is de geringe zintuigelijkheid ervan. Het enige zintuig dat nog wel eens wat wil, is het oog. Illustratief is het besluit van het hoofdstukje over Brussels Lof. “Ik heb altijd liever gekeken dan aangeraakt. Zo bleef ik een leven lang nieuwsgierig naar haar smaak.”

Als er al liefde voor groente uit het boek spreekt, dan is het een zeer abstracte. Een liefde die niet door smaak, geur en vorm bepaald wordt, maar door het lezende oog; door veel te bladeren in concordantie, encyclopedie en deelstudie. Al bijna even abstract is het gesteld met de liefdesgeschiedenis die zich tussen de groentebedrijven door in Zweden afspeelt. In de flaptekst wordt Groente een liefdesroman genoemd, maar dat lijkt me wat overdreven. De liefde voor het meisje Clare wordt meer door de literatuur dan door haarzelf gevoed. In haar worden alle Clare-achtigen uit de geschiedenis bemind. Bovendien wordt de liefde weinig hartstochtelijk bedreven met het notitieblok en het schetsboek in de aanslag. Clare houdt zorgvuldig de stand en de standjes bij, en hij, de raadselachtige en veranderlijke hoofdpersoon van Groente, laat zich ook niet bepaald door het liefdesspel overrompelen. “Ik stel me alleen een bladzijde voor, misschien nog wel minder, waarop ze me berijdt in woord en situatietekening. Een schetsje van mij op mijn rug, zij zichzelf vingerend boven waar mijn geslacht in haar verdwijnt, een paar krassen met een potlood om haar roodaangelopen gezicht uit te duiden. (-) Zulke dingen zijn natuurlijk niet heel nauwkeurig uit te tekenen met de handen op haar snuivende heupen.”

Net als zijn debuut, De psychologie van de zwavel (1989) is Groente een bibliotheekboek. Daar windt Jongstra trouwens ook geen doekjes om. Zijn hoofdpersoon is een witte boorden-tuinier. Hij wandelt graag door moestuinen en werpt dan peinzende blikken op wat zich daar beneden aan het oprichten is, maar hij maakt er zijn handen niet aan vuil. Hier wordt geplant, gesnoeid, gewied en geoogst op een hoger niveau.

Groente neigt hier en daar naar het steriele, naar een gesloten literaire wereld volgestapeld met boeken, maar gelukkig zitten niet alle ramen potdicht. Wat Jongstra ons hier voorschotelt is een bonte en zeker niet stoffige verzameling anekdotes en wetenswaardigheden, niet alleen over groente en fruit, maar ook over aanverwante zaken als chaoswiskunde, erwtenkevers, processievlinders, kerkvaders, bisschoppen, oude wijsgeren en kloostertuinen.

Curieus

Hebben we hier te maken met een curieus naslagwerk voor letterlievende tuiniers of wil Groente meer zijn? Natuurlijk wil het dat. Want groente, ach. Ik geloof eigenlijk niet dat Atte Jongstra zich een sikkepit interesseert voor peulen, venkel en linzen, of voor haricot vert, pompoen en kappertjes. Groente vormt hier niet veel meer dan een aanleiding om een eigenzinnige samenvatting van de wereldgeschiedenis te kunnen geven en zo de ”herinneringen' van de hoofdpersoon te verrijken en zijn eigen verleden ”uit te bouwen'. Met kennelijk plezier stuurt Jongstra hem met een notitieblok op pad om een kijkje te nemen in andere eeuwen en in de hoofden, levens en bezigheden van een zeer divers gezelschap. Zijn alibi heet groente, de uitkomst van zijn onderzoekingen noemt hij, in een van de vele poëticale terzijdes ”weerbarstig materiaal allerwegen, zonder veel systematiek' en ”een brokkelige ideeëngeschiedenis'.

Jongstra's ideeën hebben wel iets gemeen met Multatuli's Ideën, ”de Times van zijn ziel' zoals hij ze noemde, omdat ze net als de toenmalige Times alle kanten opzwabberden. Zo is het ook gesteld met Jongstra's ideeëngeschiedenis. Zij springt van de hak op de tak, ze gaat over van alles en nog wat en moet het stellen zonder een aanwijsbare orde. Droom en werkelijkheid, toen en nu, zelfs het mijn en het dijn zijn hier niet altijd eenvoudig van elkaar te onderscheiden. Inhoudelijk, maar ook stilistisch is Atte Jongstra een alleseter. Bilderdijk, Kloos, Krol en Brakman, om maar eens een paar voorbeelden te noemen, vindt men hier genoeglijk bijeen. Er zijn hoogdravende passages over Alfa en Omega en de god in het diepst van zijn gedachten die daarbij hoort, er zijn krasse, maar aangenaam nuchtere redeneringen en en er zijn bloemrijke zinnen, zoals deze over een jonge monnik onderweg naar Assisi: “Ik had me tot Italië zoveel mogelijk beperkt tot een hand omhoog bij de bakker, op stille tuinmuurtjes knagen aan een rauwe prei of een vuistje grauwe erwten in één keer in de mond.”

Je kunt je afvragen wie Jongstra zelf is, temidden van zoveel inhoudelijke en stilistische chaos. Voorlopig heeft hij zijn keuze in elk geval nog niet gemaakt en verdringen de onbekommerde verteller, de profeet en de zuinige verslaggever elkaar beurtelings.

Een van de ergerlijke, maar ook nogal gewiekste kanten van de roman is het voortdurende gesjor aan ons, lezers, de herhaalde roep om attentie, het gebedel om aandacht. Jongstra maakt ons zo tot medeplichtigen en dwingt althans een gedeelde verantwoordelijkheid af voor zijn onsamenhangende ideeëngoed. “Dames en heren! U hebt mij als groentekweker binnengehaald,” roept hij uit in een hoofdstukje over de blauwschokker. Na een exposé over deze peulvrucht schudt hij het mogelijk ingedommelde publiek weer wakker. “Volgt u mij nog? Want ik spreek, als ik over mijn moestuin vertel, uitsluitend over mijzelf. Een kwestie van spiegelen. Ik leg mijn blauwschokkers in februari onder een bewasemde ruit en heb uitzicht op Rome, hoe beperkt ook.”

Het gaat hier natuurlijk om het spreekwoordelijke Rome, waar vele wegen naartoe leiden. Welbeschouwd gaat het in Groente steeds om zo'n gedroomd Rome, niet met de bedoeling om er ooit aan te komen, maar als excuus om zoveel mogelijk wegen in te slaan. Mogelijkheden, daar gaat het hier om.

Daarom is het eind van de roman teleurstellend, en ook wat beledigend voor de lezer die niet versaagde en de hoofdpersoon volgde op ieder kronkelpad. In het laatste hoofdstuk neemt Jongstra zijn toevlucht tot een modernistisch cliché. Om op het kunstmatige karakter van de hele onderneming nog eens flink de nadruk te leggen, laat hij de hoofdpersoon in zijn bibliotheek verijlen tot groente. Niet tot echte groente uiteraard, maar tot geschilderde groente: tot het bekende groenteportret van Arcimboldo.

Een overbodige kunstgreep, want wij hadden natuurlijk allang in de smiezen dat die man niet van vlees en bloed was.