Artikelen van Sjoerd Leiker; Godgeleerde zonder God

Sjoerd Leiker: De Waterklok, herinneringen en beschouwingen. Uitg. De Bezige Bij, 260 blz. Prijs ƒ 34,50

Toen Sjoerd Leiker in 1988 overleed had hij blijkbaar zelf De Waterklok voor publikatie gereedgemaakt. “Mijn boek gaat over vriend en vijand,” kondigde hij aan in een Verantwoording: “En denkend aan hen schreef ik deze herinneringen.” Dat klinkt alsof ons een samenhangende tekst wacht, maar het zijn afzonderlijke stukken die in verschillende bladen gestaan hebben, het oudste in 1951, de meeste in de jaren zeventig en tachtig.

Leikers reputatie zal er geen diepere glans aan ontlenen. In een Nawoord geeft Wim Hazeu een indruk van wat hij in en na de Tweede Wereldoorlog voor rol heeft gespeeld, in de illegaliteit, de literatuur, de uitgeverij (mede-oprichter van De Bezige Bij) en de rechtspraak (lid van de Ereraad voor de Letterkunde). Het is een welbesteed leven geweest, en hij had zijn verspreide stukken best verspreid kunnen laten.

Soms geven zij informatie en waarderingen waar historici en biografen gebruik van zullen kunnen maken, al is er weinig bij dat mij onbekend voorkwam. Een enkele keer wordt iets moeilijk benoembaar onder woorden gebracht, zoals wanneer Leiker het conflict in zichzelf aanduidt tussen een heersende persoonlijkheid en een afhankelijke; en wanneer hij aan de hand van G. van der Leeuw en Fokke Sierksma de gedachte vertolkt dat geleerden, theologen en filosofen ook kunstenaars moeten zijn, "anders zijn ze niets' (dit laatste vond Van der Leeuw).

De meeste zijn gelegenheids- en herdenkingsstukken voor het Algemeen Maçonniek Tijdschrift en PEN-Kwartaal, en zo klinken ze ook. Er staat geen onvertogen woord in, en de kunst om zijn respect voor doden van het verzet en van de literatuur te verluchten met anekdotes verstond Leiker maar ten dele.

Het gedeelte dat hij verstond was de eerste helft. Hij wekt met een anekdote verwachtingen aan het begin, zodat de lippen van de lezer zich al openen in voorbereiding op het lachen om de pointe; maar even later gaan zij in stilte weer dicht.

Misschien, denkt de lezer dan, ligt het aan mijn gebrekkige humor en levenskennis? De Engelse boer Conrad Russell die in de Eerste Wereldoorlog officier was geweest diende in de Tweede als soldaat bij de Burgerwacht. Toen een officier hem vroeg of hij in '14-'18 aan het front was geweest antwoordde hij bevestigend. “"En natuurlijk niet gewond geraakt', zei de "hoge' enigszins smalend. "No sir.' "Dus gewoon soldaat geweest,' was de gevolgtrekking van de inspecterende chef.”

Wat is daar de grap van, behalve dat de gevolgtrekking feitelijk onjuist was? Wij kunnen Leiker niet meer om opheldering vragen, evenmin als bij het verhaal van Fokke Sierksma, "de godgeleerde zonder God', en de Leidse theologen die thee zaten te drinken. “"Zegt de naam Reitsum u iets?' vroeg hij, en zij antwoordden jawel, dat is een plaatsje bij Dokkum waar een grote strijd gevoerd is door één kerkvoogd. "Die kerkvoogd was mijn grootvader', zei Sierksma.” Eind van de anekdote, behalve dat Leiker er een uitleg bij geeft: “Ik wil hiermee zeggen dat er geloofsresten blijven hangen in je geest, dat je agnost kunt zijn en de verklaring aflegt dat je wel religieus bent...”

Hoe de anekdote de gedachte illustreert is onvoldoende duidelijk. De lezer kan niet anders doen dan zich achter het oor krabben en doorlezen, langzamerhand zonder hoop dat hij de auteur nader zal leren kennen, want dit staat in een van de drie stukken aan het eind die over Nepal gaan. Daar heeft Leiker de waterklok ontdekt die voor zijn titel dient; althans hij heeft de beschrijving ervan gevonden in een boek van "de Tibetaanse abt T.J. Borbu' dat hij voor zijn Nepalese reis gelezen had. De waterklok werkt als een zandloper, met druppels in plaats van korrels, en “dat doet mij denken aan het mensenleven: voor de een bevat de pot meer water dan voor de ander, maar onherroepelijk valt voor iedereen de laatste druppel”. Dit is een poëtische vergelijking, maar verder heeft ook Nepal, dat Leikers verbeelding op latere leeftijd verruimd lijkt te hebben, zijn proza niet op gang gebracht. De reisverhalen doen naar de toon zo niet naar de vorm denken aan teksten voor een diapresentatie.

Vandaar het oordeel dat deze stukken niet verzameld hadden hoeven worden. Er steekt geen kwaad in, maar de vriend en vijand waar ze over gaan hadden iets hartigers verdiend.