Adriaan Venema over de oorlogsjaren van Vestdijk; Men moet nooit meer beloven dat men houden kan

Simon Vestdijk was aan het begin van de oorlog een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers. Dat was voor Adriaan Venema aanleiding om uitgebreid in te gaan op het gedrag van Vestdijk tijdens de oorlog. Maakt Venema aannemelijk dat het woord collaboratie van toepassing is op Vestdijks gedrag? “Venema kiest bij verschillende mogelijke interpretaties onveranderlijk de meest ongunstige.”

Adriaan Venema: Schrijvers uitgevers en hun collaboratie. Deel 3b: S. Vestdijk. Uitg. De Arbeiderspers. Prijs ƒ 59,50. Midden volgende week in de boekhandel.

Simon Vestdijk was ongetwijfeld niet de heldhaftigste man ter wereld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was dat niet ineens anders. Dapperheid, lust tot verzet, onbuigzaamheid, het waren geen sterk ontwikkelde kanten van zijn persoonlijkheid en hij had er ook niet al te veel belangstelling voor. Hij schipperde een beetje en deed zijn best zich zo min mogelijk van het gedoe om hem heen aan te trekken, want wat hem voor alles interesseerde was dat hij ongestoord kon werken. Theun de Vries, die zelf wel in het verzet zat en met wie Vestdijk veel contact onderhield, veronderstelde later dat Vestdijk ook tijdens de oorlogsjaren voor de actualiteit maar heel matig belangstelling had. Hij wilde alleen graag voorkomen dat men hem het schrijven onmogelijk zou maken.

Adriaan Venema komt in deel 3b van zijn reeks Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie dat geheel aan Vestdijk gewijd is, tot de conclusie dat Vestdijk "bij vlagen' gecollaboreerd heeft. Behalve ontzagwekkend veel malle suggesties van draaikonterij, trouweloosheid, een anti-Engelse gezindheid en belangstelling voor rassen-theorieën die tot vervelens toe weerlegd zouden kunnen worden, voert hij ter ondersteuning van die mening een aantal belastende feiten aan:

1. Vestdijk schreef in juli 1941 een welwillende recensie over een dichtbundel van de Duitser Gerhard Schumann waarin onmiskenbaar nationaal-socialistische gedichten stonden. Hij schreef niets over de inhoud van de gedichten maar deed vriendelijk over de vorm.

2. In 1941 vertaalde hij de roman Sankt Blehk van Ludwig Tügel. Een niet al te overduidelijk nationaal-socialistische roman van een schrijver die overduidelijk niet deugde.

3. Tijdens zijn internering in 1942 als gijzelaar in Sint Michielsgestel diende Vestdijk een rekwest in, waarin hij op zijn in het Duits vertaalde romans wees, op zijn liefde voor de Duitse cultuur, op de kritische houding ten opzichte van Engeland die uit die romans sprak en waarin hij ten slotte meedeelt bereid te zijn zich aan te melden bij de Kultuurkamer als dit zijn invrijheidsstelling kan bewerkstelligen.

4. Na zijn vrijlating publiceerde hij weliswaar niet meer in Nederland, maar in 1944 verscheen in Duitsland zijn roman Irische Nächte die pas na de oorlog in Nederland zou verschijnen.

Voorbeeld

Venema heeft zich ten doel gesteld om het gedrag van schrijvers en uitgevers tijdens de oorlog tot op de bodem uit te zoeken. Zijn belangstelling gaat daarbij naar werkelijk alles uit, er is geen gebeurtenis zo klein, geen schrijver zo zesderangs of Venema wil er het fijne van weten. Daarom betekent het feit dat hij een heel deel van bijna driehonderd pagina's aan Vestdijk besteedt niet noodzakelijkerwijs dat over Vestdijks gedrag in de oorlog veel opzienbarends te vertellen is (alles wat Venema aanvoert, behalve de aard van die recensie in de NRC, was al bekend), het betekent dat Venema in elk detail van Vestdijks handelwijze geïnteresseerd is. En hij is dat, schrijft hij in zijn inleiding, omdat Vestdijk aan het begin van de oorlog na de dood van Ter Braak, Du Perron en Marsman de belangrijkste Nederlandse schrijver was. Sterker nog: “de geschiedenis schoof hem naar voren als, ja, eigenlijk als voorbeeld van hoe de letterkundige zich in de daarop volgende jaren diende op te stellen.” Dit is een typische Venema-zin. De geschiedenis doet nooit zoiets als iemand "naar voren schuiven' "als voorbeeld' voor "de komende jaren'. De geschiedenis wordt achteraf geschreven en daarin heeft nooit iemand Vestdijk als voorbeeld genoemd. Ook Vestdijk zelf niet, die nam juist een voorbeeld aan anderen, aan Martinus Nijhoff, Johan van der Woude, Theun de Vries, A. Roland Holst.

Het is jammer dat Venema bij voortduring alles op deze manier gewichtig wil maken, zijn boek zou zo veel interessanter en overtuigender geweest zijn als hij dat had nagelaten. Zo vraagt hij zich ook nog af of de reden voor Vestdijks "collaboratie' soms iets zou zijn "dat diep in Vestdijks wezen verscholen lag'. Toe maar. Het is geen vraag waarop van Venema, die er voortdurend blijk van geeft helemaal niets van Vestdijk te begrijpen, een belangwekkend antwoord kan worden verwacht.

Een voorbeeld van de manier waarop Venema Vestdijk beoordeelt. In een brief aan Theun de Vries schrijft Vestdijk dat Garmt Stuiveling, Nico Donkersloot en Albert Helman zich in hun beoordeling van zijn werk uitsluitend door persoonlijke rancune laten leiden. “Maar daarom vind ik hun oordeel in het algemeen nog niet waardeloos. Zij geven een caricaturaal overdreven visie op werkelijk bestaande fouten. (-) Het zou dwaasheid zijn te beweren, dat A.V. en de I. [Vestdijks essayboek Albert Verweij en de Idee], of welk boek ook, geen tekortkomingen had (-) Had ik niets anders te doen, en kon ik er flink wat mee verdienen, dan zou ik een vernietigende critiek op dit boek schrijven, waarvan de heeren misschien nog wel iets zouden kunnen leeren...Inmiddels zooveel mogelijk negeeren!” Uit deze brief blijkt vooral, zou je zeggen, hoe goed Vestdijk kritiek kan verdragen en aanvaarden, ook van mensen die hij verdenkt van onzuivere motieven. Hij gaat nog verder: zijn eigen kritiek op zijn eigen boek zou vernietigend zijn. Dat is nogal een vrijheid van denken die we daar zien. Wat merkt Venema uitsluitend op? Dat Vestdijk het "flink (-) verdienen' "tamelijk hoog op zijn prioriteitenlijst zet'.

Venema kiest bij verschillende mogelijke interpretaties onveranderlijk de meest ongunstige. Deze houding gaat ten koste van begrip voor Vestdijks doen en laten en verhoogt het beschuldigende karakter van zijn boek. Zijn kwaaddenkendheid en zijn gelijkhebberigheid maken zijn betogen dikwijls onaangenaam om te lezen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij nooit gelijk heeft. Over het algemeen is Venema goed gedocumenteerd, al laten zijn gebruik en zijn interpretatie van de documenten wel eens wat te wensen over. Soms echter laat ook zijn documentatie te wensen over.

Suggestie

Wat valt er te zeggen over de vier belangrijkste beschuldigingen die Venema tegen Vestdijk inbrengt. De recensie in de NRC is merkwaardig. Vestdijk was in die tijd literatuurmedewerker en besprak uitsluitend Nederlandse auteurs, van onverdachte signatuur. Waarom dan ineens deze uitgesproken onfrisse Gerhard Schumann besproken? Daar is weinig van te begrijpen en ook Venema komt niet met een mogelijke verklaring. Wel met de suggestie dat Vestdijk weinig moeite had met nationaal-socialistische literatuur, omdat hij immers ook het al eerder genoemde boek van Tügel vertaalde. Waarom deed hij dat dan? Dat is niet zo moeilijk te verzinnen: om geld te verdienen. En anders dan de dichtbundel van Schumann was Tügels roman niet uitgesproken propagandistisch. Niettemin, het blijft iets wat Vestdijk beter niet had kunnen doen.

Venema's bewering dat Vestdijk geen moeite had met dergelijke literatuur, waarmee hij half en half suggereert dat het daarin verwoorde gedachtengoed Vestdijk niet zo onaangenaam voorkwam, is overigens uit de lucht gegrepen. In zijn roman Else Böhler, Duits dienstmeisje die al spoedig, evenals enkele andere romans en essays van Vestdijk, door de Duitsers verboden werd, laat Vestdijk ondubbelzinnig weten hoe hij over het nationaal-socialisme denkt. Ook op andere plaatsen laat hij er geen twijfel over bestaan dat hij de gevaren van deze ideologie goed begrijpt en dat hij de nieuwe machthebbers zowel griezelig als lachwekkend dom vindt. Venema kan dan ook niet meer doen dan een vals prikje geven, aannemelijk wordt zijn suggestie geen seconde.

Het belangrijkste punt is natuurlijk de omstreden aanmelding van Vestdijk bij de Kultuurkamer, al heeft de daadwerkelijke aanmelding nooit plaatsgevonden. Maar, zegt Venema, Vestdijk verklaarde er zich schriftelijk tegenover de Duitsers toe bereid en dat het er niet van gekomen is, is toeval, maar doet aan zijn intentie niets af. Daar heeft hij gelijk in. Ook Vestdijk zelf is trouwens deze mening toegedaan, hij schrijft aan Theun de Vries “dat ik mij voor het letterengilde opgegeven heb”. Hij schrijft erbij dat hij "menschelijk gesproken, geen andere keus had'.

Vestdijk werd 4 mei 1942 van huis gehaald en met honderden andere "prominente Nederlanders' opgesloten in het seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel. Zij waren gijzelaars die met hun leven moesten instaan voor de veiligheid van de Duitsers in Nederland. Op een terroristische aanslag van het Nederlandse verzet zouden executies van de gijzelaars volgen, maakten de Duitsers bekend. Zij voerden hun dreigementen ook uit. Na een aanslag in augustus 1942 werden vijf gijzelaars van hun bed gelicht en dood geschoten.

Vestdijk trok zich deze gebeurtenis bijzonder aan, meer dan veel van zijn medegevangenen. “We waren natuurlijk allemaal woedend op die schoften,” verklaarde ex-gijzelaar M. van der Goes van Naters tegenover Venema. “Maar Vestdijk had het gevoel dat hij zelf gefusilleerd was en weer terugkwam.” Hoe zeer Vestdijk onder de indruk was van het gebeurde blijkt uit zijn prachtige gedichtenreeks "De uiterste seconde', stuk voor stuk gedichten die een oefening willen zijn in sterven. Hij bezwoer zijn doodsangst, hij probeerde zichzelf te wapenen door te dichten, niet door "woedend' te zijn op "die schoften'. Ook niet, overigens, door er tegenover anderen veel over te zeggen. Noch in zijn brieven aan Pijper, noch in die aan Theun de Vries of aan Ans Koster gaat hij op de executies in. Hij moet een in zichzelf besloten mens geweest zijn, niet iemand die veel troost put uit de aanwezigheid van zevenhonderd andere mannen. Vestdijk wilde verschrikkelijk graag weg uit St. Michielsgestel.

Verzoekschrift

Venema citeert het rekwest dat Vestdijk half september, toen alle gevangenen ondervraagd werden over hun gezindheid, bij de commandant indiende. Dat verzoekschrift zou eindigen met de alinea “Von verschiedenen Seiten hat man ihn darauf aufmerksam gemacht, dass es seine Sache schaden könnte, dass er sich nicht für die Holländische Kulturkammer gemeldet hat” etc. Dit nu is niet waar, maar dat kon Venema niet weten. Deze laatste alinea is, zo blijkt uit de brieven van Vestdijk aan Ans Koster die in de een dezer dagen te verschijnen Vestdijkkroniek gepubliceerd worden, pas toegevoegd op 29 november 1942 toen Vestdijk het verzoekschrift over schreef om het aan zijn vriend en uitgever Johan van der Woude toe te sturen, die op zijn beurt weer zou zorgen dat het bij de juiste instanties belandde.

In september beperkte Vestdijk zich tot het opmerkzaam maken op zijn boeken, zijn houding, zijn vertalingen. Het kon hem bar weinig schelen of de Duitsers zijn boeken als anti-Engels wilden interpreteren, integendeel, als ze zo dom wilden zijn en hem erom vrij laten, graag. Of hij ook zo ver moest gaan om zich in principe bereid te verklaren tot aanmelding bij de Kultuurkamer, daarover heeft hij nog maanden getobd. Steeds weer schreef Ans Koster, die via allerlei vrienden ijverde voor zijn vrijlating, dat hij het maar moest doen. “Nou Henk [Godthelp] is druk bezig maar je begrijpt wel wat ervoor verlangd wordt. Ik voor mij zou denken, vooruit dan maar, als dat nou de doorslag moet geven.” (brief Ans Koster 5 okt. 1942) Steeds weer vroeg Vestdijk haar wat anderen hem aanraadden. “Uit je brief maak ik op dat [Johan van der Woude] mij adviseert om maar toe te geven. Ook zou ik wel graag willen weten hoe Pom [Nijhoff] erover denkt. Voor de menschen hier kan ik het moeilijk doen, maar wanneer ik zou weten dat de collega's er anders over denken ...” (brief aan Ans Koster, 10 okt. 1942) De collega's dachten er anders over. Johan van der Woude drong er telkens op aan dat Vestdijk tekenen zou en Nijhoff beweerde, in de woorden van Ans Koster: “En als hij in jouw plaats was zou hij er geen minuut lang over denken, maar doen. Je bent er nu lang genoeg geweest zei hij.”(brief van Ans Koster, 12 nov. 1942)

Vestdijk zal zelf ook gevonden hebben dat het nu wel lang genoeg geduurd had, en hij zag niet in wat de zin was van martelaarschap om een "formaliteit' als tekenen voor de Kultuurkamer. Als men hem onder grote druk zou zetten, schreef hij aan Pierre Dubois, nog voor hij wist dat hij gevangen gezet zou worden, dan zou hij tekenen. Natuurlijk was hij tegen, maar hij wist heel goed dat dat niet betekende dat hij in de praktijk nooit zou zwichten. “Men moet nooit meer beloven dan men houden kan.”

Dat klinkt niet zo dapper, maar wie zou durven beloven dat hij onder geen enkele omstandigheid voor druk zwicht? Stoere taal uitslaan kunnen we allemaal, Vestdijk was gewoon eerlijk. Vóór alles beschermde hij zijn mogelijkheid om te werken, om vrij te blijven in zijn hoofd. Niet alleen ideologisch vrij, maar ook praktisch vrij, dat wil zeggen, niet gehinderd door omstandigheden. Dus niet bedreigd, niet bang, niet opgesloten met honderden anderen in een stampvol seminarie. Om zulke omstandigheden te vermijden of te verhelpen, was hij bereid compromissen te sluiten of halfheden te begaan. Zou hij daarentegen de zaak heldhaftig op de spits drijven, dan zou hij niet meer werken en dus werkelijk overwonnen zijn.

Scheveningen

Het in december naar de Duitse autoriteiten verstuurde verzoekschrift had tot gevolg dat Vestdijk in januari uit St. Michielsgestel naar de Scheveningse strafgevangenis werd overgebracht, waar men hem ongeveer een maand liet wachten. Hij had in die tijd een van de depressies waar hij aan leed, hij was bang voor wat er ging gebeuren, in Scheveningen was het heel wat onaangenamer dan in St.Michielsgestel. Toen hij, na een verhoor door een SD-officier eind februari 1943 werd vrijgelaten was hij er bijzonder slecht aan toe.

Heeft het rekwest geholpen? Misschien. Het eigenaardige is dat men Vestdijk nooit met enige kracht heeft gedwongen zijn belofte na te komen en zich ook daadwerkelijk aan te melden, al heeft de dichter Mien Proost nog wel een halfhartige poging ondernomen. Vestdijk zelf moet verwacht hebben dat men wel van plan was hem zijn belofte gestand te laten doen, of misschien meende hij zelfs dat zijn toezegging hetzelfde was als een aaanmelding.

Venema heeft een andere theorie. De Duitsers lieten Vestdijk vrij omdat ze de Duitse vertaling van Ierse Nachten zo goed als anti-Engelse propaganda konden gebruiken. Voor deze theorie moet hij enorm veel speculeren, hij geeft gesprekken weer waarvoor hij geen bron kan opgeven, hij gebruikt steeds vaker het woord "duidelijk' en beweert dat we van alles "gezien hebben' maar zijn notenapparaat is in dit een na laatste hoofdstuk niet erg indrukwekkend. En zelfs al zou het zo zijn dat een kennis van Vestdijk via relaties de Duitsers opmerkzaam heeft gemaakt op Irische Nächte, wat dan nog? Vestdijk heeft het boek niet met een bepaalde propagandistische bedoeling geschreven, je zou het, als beschrijving van hoe een volk (het Ierse) onderdrukt wordt door een ander volk (het Engelse) net zo goed als anti-nazistische propaganda kunnen opvatten. Vestdijk was niet anti-Engels, hij vertaalde talloze Engelse schrijvers, het kwam hem alleen goed uit als de Duitsers het zo wilden zien. Dat is niet enorm principieel. Maar Venema ronkt dat “de Duitse propaganda een anti-Britse roman in de schoot geworpen kreeg” alsof Vestdijk gemene zaak had gemaakt met het Duitse propagandaministerie en speciaal voor hen dit boek had geschreven.

Blijft het feit dat Ierse Nachten in Duitsland verscheen op een moment dat ook Vestdijks Duitse uitgever hem al had laten weten dat het moeilijk zou worden nog iets uit te geven als hij zich niet bij de Kultuurkamer aanmeldde. Aanmelden kan alleen als een "formaliteit' beschouwd worden als de aangemelde vervolgens geen gebruik maakt van de voordelen die daaraan verbonden zijn. Dat betekent: niet publiceren. Aan Theun de Vries schreef Vestdijk na zijn vrijlating dat hij natuurlijk niet meer zou publiceren, maar dat Johan van der Woude hem had gezegd dat er tegen vertalingen in Duitsland geen bezwaar bestond. Hoe Van der Woude daar bij kwam, weten we niet.

Venema had, blijkens zijn boek, graag gezien dat Vestdijk zijn Ierse roman teruggetrokken had toen hij te horen kreeg dat die er de oorzaak van was dat hij was vrijgelaten. Nu is het maar de vraag of Vestdijk dat te horen kreeg, want Venema veronderstelt dat allemaal maar zonder opgave van bronnen. En bovendien, wat had hij dan gewild? Dat Vestdijk had gezegd: nu de Duitsers zo stom zijn om dat boek als anti-Engels op te vatten moeten ze mij maar weer opsluiten? Kom nu toch. Dat Vestdijk na acht maanden opsluiting (waarin allerlei anderen onder wie zijn vriend F.R.A. Henkels wel waren vrijgelaten) per se uit St. Michielsgestel weg wilde, vinden niet alleen "de gelovigen' van de Vestdijkkring nu, zo veel jaar later, begrijpelijk, maar vonden ook onverdachte schrijvers destijds heel begrijpelijk. Ook als hij om dat te bereiken zou willen tekenen voor de Kultuurkamer. Hoe graag Venema ook wil dat iedereen een held is het is nauwelijks een reden om met het zware woord "collaboratie' aan te komen, als iemand dat niet is. Maar als Venema dat per se zo wil noemen, laat hem. Het betekent alleen maar wat we al wisten: Simon Vestdijk was niet de heldhaftigste man van de wereld.