Voorzichtig zijn met uitbreiding strafwet; Wetsvoorstel om voorbereiden zware misdrijven te straffen; Banditisme in Franse tijd aanleiding tot bepaling in strafwet

AMSTERDAM, 19 SEPT. Het is de nachtmerrie van iedere rechercheur; de vinger krijgen achter een grote zaak en hem dan zelf moeten “stuk maken”. Met name bij het beramen van overvallen komt dit regelmatig voor. Moet worden gewacht tot de verdachten op heterdaad te betrappen zijn, of is het risico voor onschuldige slachtoffers te groot? Vroegtijdig ingrijpen betekent dat de verdachten hoogstens zijn te pakken op verboden wapenbezit of autodiefstal. Het gevaar is zelfs niet denkbeeldig dat een verijdelde overval voor hen alleen dient als een soort generale repetitie.

Zes maal heeft het regionale rechercheteam in Eindhoven geprobeerd dit bezwaar te ondervangen door het te laten komen tot een zogeheten “gecontroleerde poging tot overval”. Maar in alle gevallen moest de politie uit veiligheidsoverwegingen zelfs dàt stuk maken. Het is volgens het Eindhovense team zonneklaar dat de opdracht een strafrechtelijk resultaat te bereiken dat in overeenstemming is met de ernst van het criminele complot, neerkomt op een “mission impossible”.

De gefrustreerde speurders hebben nu gehoor gekregen bij minister Hirsch Ballin van justitie. Hij heeft een wetsvoorstel ingediend om het voorbereiden van zware misdrijven te bestraffen met de helft van de straf die geldt voor het delict zelf. Op zijn beurt roept dit wetsvoorstel de vraag op of er niet iets wordt stukgemaakt, maar nu de strafwet. Daaraan ligt namelijk het beginsel ten grondslag dat mensen slechts kunnen worden veroordeeld indien zij daadwerkelijk aan de vervulling van de delictsinhoud zijn begonnen. Daarin hoeven ze niet te slagen om strafbaar te zijn, maar de minimumeis is toch wel het “begin van uitvoering” dat bepalend is voor de strafbare poging. Deze grens is van groot belang omdat zeker de strafwet zo duidelijk mogelijk moet zijn, opdat de burger weet waaraan hij zich heeft te houden. De Latijnse term “lex certa” die in dit verband wordt gebruikt, belichaamt tevens een belangrijk kenmerk van de rechtsstaat: gedachten zijn vrij en plannen ook - de overheid behoort alleen te straffen wanneer het tot daden is gekomen.

Nu zijn open aanduidingen in het strafrecht nooit geheel te vermijden (zoals “schuld” of “nalaten”) en ook op het gebied van de poging en andere vormen van deelneming aan strafbare feiten heeft de grens van de strafwet wel eens een abstract karakter. Toch is het tekenend dat de strafbaarheid van samenspanning in onze wet van oudsher nadrukkelijk is beperkt tot de staatsveiligheid en enkele andere zeldzame delicten. Bij samenspanning zijn twee of meer personen reeds strafbaar zodra zij zijn overeengekomen het delict te plegen, volop het planstadium dus. Deze klassieke terughoudendheid is de afgelopen decennia echter aan het verschuiven. Minister Van Agt gaf in 1976 opdracht tot een studie over strafbaarstelling van samenspanning in verband met “terroristische activiteiten”, toch al een notoir vage categorie. Al gauw werd ook de drugshandel meegenomen. Minister De Ruiter zette dit werk vervolgens in 1980 stop met het krachtige argument dat “de reikwijdte van zo'n strafbepaling dermate ruim zal worden dat de rechtszekerheid voor de individuele burger niet voldoende kan worden gewaarborgd”. Kort daarop kondigde de bewindsman echter aan dat voorbereidingshandelingen in het Vorfeld van de poging tòch in de Opiumwet zou worden opgenomen, een karwei dat door minister Korthals Altes rond 1985 werd geklaard. Hij moest de Tweede Kamer echter beloven dat dit een “eenmalige exercitie” zou zijn, die “zeer beslist geen precedentwerking” zou hebben.

Deze verzekering bleek uiterst betrekkelijk: Korthals Altes gaf een werkgroep van ambtenaren onder voorzitterschap van de Groningse emeritus hoogleraar strafrecht mr.Th.W. van Veen opdracht rapport uit te brengen over de aanpak van criminele complotten. Dat paste in zijn aanpak van de zware en georganiseerde criminaliteit, een speerpunt van het befaamde justitiële beleidsplan Samenleving en Criminaliteit. Directe aanleiding was overigens de geruchtmakende ontvoeringszaak-Heijn. Het wonderlijke was alleen dat de strafrechtelijke afhandeling van deze akelige zaak de behoefte aan uitbreiding van de strafwet op geen enkele manier illustreert.

De Commissie-Van Veen selecteerde zes ernstige delicten waarbij het leven van personen op het spel kan komen te staan, variërend van ernstige mishandeling met voorbedachte rade tot gijzeling. Het voorhanden hebben van bepaalde middelen, zoals voorwerpen, voertuigen, ruimten of gegevens, die “bestemd” zijn dit soort delicten te plegen zou dan reeds tot strafbaarheid moeten leiden. De kritiek was al direct dat op deze manier iemand die bij zichzelf het plan heeft opgevat zijn buurman in elkaar te slaan en zich daartoe een boksbeugel aanschaft, zonder meer achter de tralies kan belanden. “Dit gaat eenvoudig gezegd veel te ver”, vond in elk geval Van Veen's opvolger in Groningen mr. D.H. de Jong.

Minister Hirsch Ballin heeft nu de voorbereiding van dergelijke puur individuele misdrijven laten vallen; de bewijsproblemen zijn ook te groot. Er moeten meerdere personen bij betrokken zijn. De nadruk op het collectieve aspect geeft echter alleen maar voedsel aan een ander bezwaar tegen de voorstellen van de Commissie-Van Veen, namelijk dat er al een bepaling is die daarin voorziet: artikel 140 Wetboek van strafrecht over criminele organisaties. Het banditisme in de Franse tijd is historisch gezien de aanleiding voor deze bepaling in onze strafwet. De laatste jaren is hij vooral ingezet bij de fraudebestrijding. Justitie greep er ook naar in het geval van krakers en onlangs zelfs bij het oprollen van de alternatieve Amsterdamse piratenzender Radio 100.

Dit “politieke” gebruik heeft met reden nogal wat tegenweer opgeroepen, maar dat wil nog niet zeggen dat de bepaling onbruikbaar zou zijn tegen overvallers - historisch gezien nota bene de reden van zijn bestaan. De thans in Den Haag gestationeerde advocaat-generaal mevr.mr. J.C.M. Couzijn bepleitte drie jaar geleden in het Algemeen Politieblad reeds een “creatief gebruik” van artikel 140 tegen overvallen. Met name de fraudepraktijk leert volgens haar dat er met dit artikel “soms meer mogelijk is dan op het eerste oog haalbaar leek”. In de vakpers is in dit verband gewezen op het geval van de verijdelde ontvoering van een notaris. Een paar lieden uit het milieu hadden een bijzondere belangstelling aan de dag gelegd voor een buurt met veel vermogende bewoners. Ook hadden zij een boerderij gehuurd en daarin een kamer geïsoleerd die geschikt was om eventuele gijzelaars in vast te houden. Typisch een geval voor artikel 140, vonden de deskundigen. De justitie kennelijk niet. In de vakpers is men er nogal over gevallen dat de Commissie-Van Veen geheel voorbij ging aan deze kant van de zaak. Nog vreemder is dat nu ook minister Hirsch Ballin in alle talen zwijgt over dit alternatief.

Verwarrend is ook de verzekering van de minister dat hij “beperkende voorwaarden” heeft aangebracht ter wille van de grondbeginselen van het strafrecht, terwijl deze in feite een uitbreiding betekenen van wat de Commissie-Van Veen adviseerde. De zes geselecteerde delicten worden vervangen door alle misdrijven waar acht jaar of meer op staat. De opsomming van gebezigde middelen wordt uitgebreid met het voorhanden hebben van betaalmiddelen. Elk stukje dat de strafwet opschuift betekent bovendien een praktische verruiming van de onderzoeksbevoegdheden van de politie en een vergrote kans op “visexpedities” waarvan ook gewone mensen last kunnen hebben. Die mogelijkheid is toch al vergroot door de inzet van infiltranten. Alle reden dus voorzichtig te zijn met uitbreiding van de strafwet zolang artikel 140 niet grondig is uitgetest.