"Verbiedt export van dodelijke medicijnen'

BRUSSEL, 19 SEPT. De Europese Gemeenschap moet de export naar de Derde wereld van geneesmiddelen die in de EG verboden of uit de markt genomen zijn, beperken zo niet verbieden.

Dit heeft een Nederlandse werkgroep die doet aan medische ontwikkelingssamenwerking ("Wemos') gisteren op een persconferentie in Brussel gezegd bij de presentatie van een rapport over de “dodelijke” export van geneesmiddelen naar ontwikkelingslanden.

Volgens de werkgroep legt de EG producenten van geneesmiddelen niets in te weg om “rotzooi te exporteren zolang het maar in een schoon laboratorium is geproduceerd”.

Uit eigen onderzoek in 48 landen in Afrika, het Caribisch gebied, het Midden-Oosten en Azië is de werkgroep gebleken dat daar in de tweede helft van vorig jaar 47 middelen, vooral pijnstillers, verkrijgbaar waren die in één of meer EG-landen zijn verboden of uit de handel zijn genomen.

Een voorbeeld is glafenine, dat onder de merknaam glifanan eind vorig jaar in België door de Franse producent Roussel uit de markt werd genomen wegens zijn ernstige bijwerkingen. Twee mensen stierven zelfs na het slikken van het middel, waarvan het pijstillend effect volgens de werkgroep niet groter is dan dat van aspirine. Glifanan is niettemin nog steeds overal in de Derde wereld te koop. In Franstalig Afrika hoort het tot de vijf best verkochte medicijnen.

Volgens gegevens van de werkgroep had de export van medicijnen naar de Derde wereld in 1987 een waarde van ruim vijf miljard gulden.

De exportwetgeving die de werkgroep voorstaat, moet onder andere gebaseerd zijn op het principe van “prior informed consent” ofwel de importlanden moet eerst om toestemming worden gevraagd voordat de geneesmiddelen daar op de markt worden gebracht.

Adequate exportcontrole is volgens de werkgroep verder alleen mogelijk als er volledige openheid komt over die medicijnen die binnen de EG verboden zijn of waarvan de verkoop aan banden is gelegd. Het geheimhouden van dit soort informatie, ondanks begrip voor de industriële belangen, gaat volgens de werkgroep te ver.

De samenwerkende Nederlandse farmaceutische industrie (Nefarma) heeft overwegend bezwaren tegen de verlangens van de werkgroep. Nefarma vindt bij voorbeeld niet dat geneesmiddelen die in één EG-land verboden zijn, in alle andere landen uit de handel moeten worden genomen. “Sociaal-economische en medisch-culturele omstandigheden”, aldus een Nefarma-verklaring, “kunnen ertoe leiden dat een produkt in het ene land wel en in het andere land niet op de markt is”.