Uit de vicieuze cirkel

De rijksuitgaven zullen in 1992 zo'n 230 miljard gulden bedragen. Dat blijkt uit de Rijksbegroting die onze nationale schatkistbewaker Wim Kok afgelopen dinsdag heeft aangeboden aan de verzamelde leden van de Eerste en Tweede Kamer, de Staten Generaal. Wie kan zich bij dat bedrag van 230.000.000.000 gulden iets voorstellen? Laten we een poging wagen. Dat is per inwoner, peuters en zuigelingen meegeteld, ruim 15.500 gulden. Of anders gezegd: per uur, inclusief zon- en feestdagen, rolt er meer dan 26 miljoen gulden uit de portemonnee van Kok.

Tabel 1 laat zien waaraan het rijk al dat geld uitgeeft. In de tabel zijn de uitgaven gegroepeerd naar onderwerpen van staatszorg, de zogenoemde functionele indeling. Die ziet er een beetje anders uit dan de wat meer gebruikelijke indeling per departement. Een voorbeeld om het verschil tussen de twee duidelijk te maken. In de indeling naar departementen staan de uitgaven voor het agrarisch onderwijs verstopt onder "Landbouw, natuurbeheer en visserij', in de tabel vallen ze onder het kopje "Onderwijs en onderzoek'. Zo wordt duidelijker om wat voor soort uitgaven het feitelijk gaat.

Opvallend is de prominente plaats die "Overheidsschuld' inneemt. Onder die post vinden we niet de overheidsschuld zelf, de staatsschuld, maar de lasten die met die schuld gepaard gaan: rente en aflossing. Met een bedrag van 51 miljard gulden slokken de rente en aflossing op staatsschuld maar liefst 22,1 procent van het uitgaventotaal op. Om te vergelijken: in de begroting voor 1985 ging het nog om een bedrag van "slechts' 28,5 miljard (16,5 procent).

Uit tabel 2 blijkt dat het rijk nog steeds ver boven z'n stand leeft. Aan ontvangsten verwacht Kok in 1992 met pijn en moeite, vooral voor de burgers, iets meer dan 183 miljard gulden bij elkaar te schrapen. Het grootste deel daarvan, ruim 30 procent, haalt hij binnen via de belasting die werknemers over hun inkomen betalen, de loonbelasting. Tussen de uitgaven (230,8 miljard gulden) en de ontvangsten (183,4 miljard gulden) zit een gat van ruim 47 miljard gulden: het begrotingstekort. Dat geld moet de minister van financiën gaan lenen, waardoor de staatsschuld groter wordt.

Tegen het eind van dit jaar komt de staatsschuld uit op ongeveer 339 miljard gulden (71 procent van het nationaal inkomen). Eind 1992 staat het rijk naar verwachting rood voor 360 miljard gulden (72 procent van het nationaal inkomen), een toename van 21 miljard gulden. Hoezo 21 miljard gulden, het tekort was toch 47 miljard gulden?

Tabel 3 biedt een oplossing voor deze mogelijke verwarring. In het uitgaventotaal van 230 miljard gulden is ruim 26 miljard gulden bestemd voor aflossing. In eerste instantie daalt de staatsschuld dus met dat bedrag. Vervolgens leent het rijk 47 miljard gulden, zodat de schuld per saldo 21 miljard gulden groter wordt. Het begrotingstekort verminderd met de aflossing op staatsschuld heet het financieringstekort. Dat laatste saldo bepaalt de toename van de staatsschuld.

De staatsschuld waaronder het rijk gebukt gaat is dus de optelling van alle financieringstekorten uit het verleden. Tegelijkertijd maakt die omvangrijke staatsschuld het zo lastig het financieringstekort te verkleinen. Over de groeiende staatsschuld moet immers een toenemend bedrag aan rente worden betaald. En die gestegen uitgaven leiden weer tot een groter financieringstekort, waardoor de staatsschuld verder toeneemt. Een vicieuze cirkel die alleen kan worden doorbroken door te bezuinigen op de andere uitgaven. En dat is nu precies wat het kabinet Lubbers III met deze Rijksbegroting wil.

In het Regeerakkoord hadden het CDA en de PvdA afgesproken het financieringstekort zo ver terug te dringen dat de staatsschuldquote (de staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen) in 1994 zou gaan dalen. Nu lijkt dat al in 1993 te gaan gebeuren. Ondanks de tegenvallende economische ontwikkeling begint het kabinet greep te krijgen op de uit de hand gelopen overheidsfinanciën.