Rondklossen op slap rubber

Sta, sterf, verrijs (Zamri, oemri, voskresni). Regie: Vitali Kanevski. Met: Dinara Droekarova, Pavel Nazarov, Elena Popova. Amsterdam, Rialto; Nijmegen, Mariënburg.

Het barre gebied in het Aziatische gedeelte van de Sovjet Unie waar de beruchte Stalinistische goelags waren ingericht, wordt zodra men het heeft over dat Oosten, geassociëerd met die barre gevangenkampen. Binnen de muren van zo'n interneringskamp werd gedroomd van het passeren van de wachttorens - in die stap van binnen naar buiten zou een wereld van verschil liggen. De film Sta, sterf, verrijs constateert dat het niet zoveel uitmaakte. Hij schetst wat er zich afspeelde in een nederzetting aan de andere kant van de afzichtelijke omheiningen. We zien dat er alleen een onderscheid tussen gevangen en niet gevangen was, maar dat men buiten net zo vast zat als binnen. Verholen wordt de suggestie gewekt dat de complete Sovjet Unie het "buiten' is van het "binnen' van zo'n gevangenkamp. Afreizen naar een betere, dat wil zeggen zeer verafgelegen, verblijfplaats is praktisch onmogelijk, maar buiten dat is gaan en staan waar je wilt in de Sovjet Unie nog altijd alleen in beperkte mate toegestaan.

In eerste instantie tekent Sta, sterf, verrijs het leven in het gebied tussen de kampen in de jaren vijftig. Bewakers waren er niet. Wel hadden de herkenbare provocateurs in leren overjassen het dorp onder controle en het minste vergrijp werd zwaar gestraft. Net als in de kampen heersten er in zulke dorpen gebrek, zwarte handel, geweld, onder het het motto "ieder voor zich'. Zelfs "...God voor ons allen' gold niet, want het belijden van een godsdienst was illegaal. "Vadertje' Stalin werd verplicht en koortsachtig aanbeden: "Dank u voor mijn nieuwe laarzen,' scandeert een kind, terwijl het op slap rubber rondklost door een holle gang. Want er is één belangrijk verschil: binnen de muren van een interneringskamp waren kinderen verboden, erbuiten kwamen ze ter wereld, groeiden ze op en werden ze opgeleid tot zo mak mogelijke schapen met zo min mogelijk eigen denkbeelden.

Vitali Kanevski, de cineast die in 1990 voor deze film in Cannes de Gouden Camera (prijs voor het beste debuut) kreeg, koos als brandpunt de vriendschap tussen twee kinderen: een jongen van een jaar of twaalf en het even oude, maar rijpere, meisje dat zijn vriendschap zoekt. De film toont in de eerste plaats dat wie tussen de kampementen werd geboren in principe was veroordeeld tot letterlijk levenslange gevangenschap. Alleen zijn kinderen niet in staat zich dat te realiseren. Ze zijn gehard, ze waren getuige van gedrag en gebeurtenissen die te schokkend waren voor kinderogen, maar ze bleven voorlopig nog kind genoeg om te barsten van energie. Hun instinct om te overleven en hun ingeboren neiging tot optimisme zijn nog niet afgevlakt.

Niet door het geweld dat hij toont maar juist door die uitgelaten drang van de kinderen naar individualiteit en overleven zo scherp te tekenen, maakt Kanevski zijn film zo pijnlijk als mogelijk is. Door de intieme regie en camera kun je niet anders dan het tweetal in je hart sluiten, en daarmee laat je toe dat ijs zich in je borst vastzet. Want wie die twee in de weer ziet - de jongen schreeuwt altijd, maar het meisje is de waaghals van het stel - weet dat ze geen keus hebben. De twee staan toe dat de vitaliteit van hun ondanks alles stralende jeugd wordt gesmoord of ze houden op met leven. Er is ook een andere weg, een schijndood: Kanevski laat zien hoe de gevoelige mens die zich niet aanpast en desondanks in leven blijft, krijsend waanzinnig wordt.

Kanievski weet waar hij het over heeft. Hij groeide zelf op in zo'n grauwe, overbevolkte nederzetting tussen de goelags. Hij speelde tussen de ruwe barakken, hij rende door de bemodderde sneeuw, hij was omringd door grimmige volwassenen die hem leerden dat het onbeleefd is om de vraag "waar ga je heen?' te stellen, want dat brengt ongeluk.

Dat Sta, sterf, verrijs autobiografisch is, zie je in de documentair getinte weergave van het onnoemelijk uitzichtsloze dagelijks bestaan, zoals dat wordt opgeroepen in ogenschijnlijk triviale details; je voelt het in de manier waarop je het jongetje de Japanse krijgsgevangenen ziet treiteren en becommentariëren. Je kijkt naar het gevecht dat uitbreekt op de geïmproviseerde dansvloer en je weet dat alleen iemand die dit zelf zag gebeuren het zo direct kan oproepen.

Kanievski wil per se voorkomen dat we mentaal wegduiken wanneer we worden geconfronteerd met het absurde leven dat zijn film oprakelt. Hij heeft ten overvloede laten weten aan een ieder die het hem vroeg dat zijn eigen jeugd model stond voor wat zijn film vertelt. Wie die film bekijkt, wordt de kans ontnomen om zich te onttrekken aan het waarheidsgehalte ervan. Wat hij toont, is zo gebeurd, of het had zo kunnen gebeuren. En in principe gebeurt het nog steeds. Daar gaat het Kanevski om.