Resultaten Japanse effectenhuizen onder zware druk

De vier grootste Japanse effectenhuizen, Nikko, Nomura, Daiwa en Yamaichi hebben hun winstverwachtingen voor 1991 drastisch naar beneden bijgesteld.

Het zwaarst getroffen is Yamaichi Securities, dat voor het eerst in 28 jaar verwacht in de rode cijfers te komen. Over de eerste zes maanden voorziet Yamaichi een verlies van 12 miljard yen (bijna 170 miljoen gulden). In het midden van de jaren zestig geraakte Yamaichi, de kleinste van de grote vier, in zware financiële problemen en moest door de Japanse overheid van een failissement worden gered.

Nikko, Daiwa en Nomura Securities gaan er vanuit dat hun winsten over de eerste helft van het boekjaar 1991, dat zal eindigen op 30 september, ongeveer zeventig procent zullen dalen ten opzichte van de eerste helft van 1990. Over het gehele jaar zien zij hun winst met veertig tot zeventig procent dalen.

Deze slechte resultaten zijn vooral het gevolg van de teruglopende omzetten op de door schandalen geteisterde Japanse effectenbeurs. De misère waarin de effectenhuizen zijn beland ontstond als gevolg van de opspraak waarin zij zijn geraakt. Zo werden aan cliënten compensaties verstrekt voor geleden koersverliezen. Inmiddels is achterhaald dat aan meer dan 600 klanten in totaal (omgerekend) 2,45 miljard gulden werd uitgekeerd. Door deze ongeoorloofde praktijken en door andere schandelen, zoals boven water gekomen banden met criminele organisaties is hun aanzien en positie in de afgelopen maanden sterk geschaad.

De effectenbeurs van Tokyo wil de maximale boete voor aandelenfraude vertwintigvoudigen tot omgerekend ruim 1,4 miljoen gulden. Ook het huidige maximum (ongeveer 70.000 gulden) is nog niet zo lang geleden ingevoerd. Tot drie maanden geleden betaalden fraudeurs in Japan hooguit 7.000 gulden. Omdat van deze betrekkelijk lage boetes volgens het beursbestuur weinig preventieve werking uitgaat wordt een drastische verhoging noodzakelijk geacht.