John Major in de rol van provocateur

De Franse buitenlandse politiek zoekt grandeur, de Britse stoelt op pragmatisme. Zo wil de overlevering. De verantwoordelijken voor de buitenlandse politiek van hun land, president François Mitterrand en premier John Major, hebben zich vorige week bij verschillende gelegenheden uitgesproken over de toekomst van het gemeenschappelijke Europa. De werkelijkheid bleek ingewikkelder dan de overlevering haar voorstelt.

De vormverschillen tussen beide voordrachten vallen op. De president trad via een persconferentie voor het Franse publiek om rekening en verantwoording af te leggen, maar meer nog om iedere twijfel weg te nemen ten aanzien van zijn voorrecht en zijn vermogen de Franse staat te leiden in tijden van grote onzekerheid.

De premier sprak een dag na Mitterrands boodschap in de Franse hoofdstad een klein gehoor van Europese gelijkgezinden toe, onder wie de leider van de Franse oppositie, ex-premier, voormalig presidentskandidaat en burgemeester van Parijs Jacques Chirac. Als vanzelf bevestigde Major door zijn keuze van tijd, plaats en gehoor de leidersrol in de Europese discussie van het Franse staatshoofd. Hij speelde zelf de rol van provocateur.

“De geo-politiek van Europa heeft een sterke behoefte aan een verzamelingenleer”, beschreef Mitterrand enigszins mysterieus en met een verwijzing naar de wiskunde zijn visie op wat Le Monde in het verslag van de presidentiële opmerkingen de puzzel noemde van de versnelde gedaanteverwisseling die zich op het oude continent voltrok. De omvang van het vraagstuk illustreerde de president met een verwijzing naar het bestaan in Europa van 33 staten en de aankondiging van 17 nationaliteiten (in de "Unie van Soevereine Republieken' en in Joegoslavië) een staat te willen worden. En welke volgen er nog?

Volgens Mitterrand is zelfbeschikking een recht dat door de internationale gemeenschap wordt geëerbiedigd. Maar het moet wel worden uitgeoefend op een democratische wijze en met respect voor de verdragen die de vrede en veiligheid in Europa verzekeren. Tegelijkertijd is er een kracht in tegenovergestelde richting werkzaam, naar eenheid. De hang naar verscheidenheid en de trek naar eenheid kunnen elkaar tegenwerken, maar Mitterrand wil ze verzoenen. Meer vrijheid voor een ieder, sterkere gemeenschappelijke instellingen voor allen, meende hij.

Hoe zal die verzoening gestalte krijgen? De Franse president acht Europa gelukkig dat er een Europese Gemeenschap is en een Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. Beide instellingen moeten meer macht en meer middelen krijgen. De Gemeenschap zal voor het einde van het jaar de verdragen moeten goedkeuren waarbij de Economische en Monetaire Unie en de Politieke Unie worden opgericht. De Westeuropese Unie is de kiem voor een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

De regels voor de omgang van de Gemeenschap met de landen van Oost-Europa stelde Mitterrand vorige week in een bekend licht. De president realiseert zich dat sommige van deze staten niets liever willen dan toetreden tot de EG. Frankrijk verzet zich daar niet tegen, zo bracht Mitterrand zijn afkeer van haast onder woorden. Associatieverdragen tussen de EG en kandidaatleden moeten de brug vormen naar het geschikte moment voor lidmaatschap. Oprichting van de door hem "kortgeleden' voorgestelde Europese confederatie is "noodzakelijk'. De Gemeenschap moet de strekdam zijn van de gehele structuur, de confederatie mag niet tot een substituut uitgroeien. Maar de confederatie zou een instelling zijn waar de landen van Europa op voet van gelijkheid hun onderlinge betrekkingen kunnen regelen.

Mitterrand onderstreepte dat de EG strikte regels kent. Hij wil daarvoor geen uitgebreide vrijhandelszone in de plaats, zoals volgens hem sommige andere lidstaten die wensen.

Premier Major bediende de president op zijn wenken en liet een dag later niet in het ongewisse op welk land Mitterrand in elk geval kon hebben gedoeld. Major riep op tot toekenning van een volledig lidmaatschap van de Gemeenschap aan de Oosteuropese en de Baltische landen “zodra zij daarvoor politiek en economisch gereed zijn”. Ook voor republieken uit de voormalige Sovjet-Unie zouden geen opties mogen worden uitgesloten. Major verwierp de stelling dat de Gemeenschap niet meer hetzelfde zou zijn als zij bijvoorbeeld een nauwe betrekking met Rusland zou aangaan. De wereld verandert en de Gemeenschap moet mee veranderen, meende hij. De tegenwoordige lidstaten zouden kandidaatlanden niet mogen confronteren met een “dit zijn de regels die we hebben gemaakt en we zullen nieuwe regels maken zonder met uw belangen rekening te houden”. Overigens gaf ook Major toe dat toetreding veel tijd zal vergen.

De voorzitter van de fractie van Solidariteit in het Poolse parlement, Bronislaw Gemerek, heeft gesproken van een economisch ijzeren gordijn dat nu tussen de Gemeenschap en Oost-Europa zou worden opgetrokken. Chirac zei in een reactie op Majors woorden het ondenkbaar te vinden dat de Berlijnse Muur door een nieuwe muur zou worden vervangen. Beide uitspraken suggereren dat een bestaand Europa per definitie een verdeeld Europa dreigt te zijn. Voor en zeker tijdens de augustuscoup in Moskou groeide de neiging de vermeende scheidslijn te trekken langs de grenzen tussen de Oosteuropese landen en de Sovjet-Unie, momenteel zou die lijn weer in Westelijke richting verschuiven als we Gemerek en Chirac mogen geloven. Maar het is meer en meer de vraag of iemand ermee opschiet om de zich aandienende vraagstukken met dit soort geopolitieke voorstellingen te belasten.

Voorrang verdient een zakelijke inventarisatie van wat het betekent om de uiteenvallende onderdelen van een tientallen jaren lang in twee hechte stukken verdeeld continent met elkaar verbonden te houden. Het is denkbaar alle bestanddelen op een hoop te gooien en af te wachten wat er van komt. Dat is niet de Britse benadering, zo mag uit een nauwkkeurige analyse van Majors uiteenzetting worden afgeleid. Maar de premier neemt het risico verkeerd te worden begrepen en het verwijt uit te lokken nonchalant met de problemen van Europa om te springen.

Wie dat wil, kan anderzijds veel overeenkomsten aanwijzen tussen de teksten van Major en Mitterrand. De één eist uitbreiding van de Gemeenschap, de ander is er niet tegen. De één wenst kandidaten geen onbuigzaam reglement op te leggen, de ander vraagt ze de tijd te gunnen om zich op toetreding voor te bereiden. De één wil een Gemeenschap die gevoelig is voor veranderingen, de ander ziet voor zich een confederatie die de Gemeenschap ruimte laat haar eigen en ook voor nieuwe leden aantrekkelijke karakter te behouden. Nieuwe leden willen immers "ergens' lid van worden en wat is het nut ervan lid te worden van iets dat niemand kan omschrijven? Handel drijven we tenslotte allemaal, de één meer de ander minder.

In Parijs werd vorige week twee keer het doel aangeduid en de weg er naar toe omschreven. Mogelijk komt de Gemeenschap nog eens zo ver dat dit bij één gelegenheid kan gebeuren.