In Joegoslavië opereren veel gewapende groepen autonoom; Heldenmoed houdt vaak gelijke tred met betoonde wreedheid

ZAGREB, 19 SEPT. Mochten de landen van de Westeuropese Unie vandaag besluiten een vredesmacht naar Joegoslavië te sturen, dan komt die daar terecht in een ingewikkeld en gevarieerd slagveld. Want Joegoslavië is steeds meer op weg het "Libanon' van Europa te worden, vol milities en gardes, formele en informele, onafhankelijke en partijgebonden, waarvan onduidelijk is wie zij eigenlijk gehoorzamen - àls ze al aan iemand gehoorzamen.

De toenemende diversiteit aan gewapende groepen is het duidelijkst aan de kant van de Kroaten, die later dan de Serviërs op grote schaal aan bewapening en troepenvorming zijn toegekomen. De organisatie van de Kroatische verdediging is inzet van vrijwel voortdurende ruzies binnen de Kroatische politieke klasse, zoals gisteren nog is gebleken uit het verrassende ontslag van minister van defensie Luka Bebic, en diens vervanging door de vermoedelijk veel offensiever ingestelde Gojko Susak.

De Kroatische verdediging is in principe de zaak van de Kroatische Nationale Garde (ZNG), het eigen legertje van Kroatië dat slechts in naam een landelijke organisatie vormt. In de praktijk bezitten de regionale commandanten van de ZNG een aanzienlijke eigenmacht, en sommigen van hen waren ook al begonnen met offensieve acties tegen het Joegoslavische leger (JNA), lang voordat deze offensieve strategie de officiële politiek van Zagreb werd - de belangrijkste oorzaak van de gevechten in de laatste dagen.

Maar de commandanten van de ZNG zijn lang niet altijd heer en meester over de Kroaten die in hun gebied gewapend actief zijn. Om te beginnen is daar de politie (MUP), of althans dat deel van de politie dat na het aan de macht komen van de nationalistische partij HDZ vorig jaar niet als Servisch of communistisch-besmet is weggelopen of ontslagen, en nu voor een deel aan de Servische kant in het conflict meevecht. Zowel ZNG als MUP zijn voor een deel bevolkt met politie-reservisten, dat wil zeggen dienstplichtige burgers die voor hun nummer bij de politie moeten opkomen.

Binnen de MUP bestaat een “antiterreur-brigade”, die zegt alleen van president Franjo Tudjman zelf orders aan te nemen. Voor een deel bestaat de ZNG uit goedwillende burgers die hun eigen dorp of stad willen beschermen, en vaak niet of nauwelijks bewapend zijn, al hebben ze dan een soort uniform aan. Er opereren ook allerlei burgerwachten in de dorpen, die slechts aan zichzelf verantwoording schuldig zijn.

Maar bij deze verscheidenheid blijft het niet. Naast deze "geregelde troepen' zijn aan Kroatische zijde tal van kleinere groepen actief, wier heldenmoed vaak gelijke tred houdt met hun neiging drastisch en wreed op te treden tegen de Servische bevolking van omstreden dorpen. Vaak kokketteren zij ook met de symbolen, leiders en liederen van de Kroatische fascistische vazalstaat uit de Tweede wereldoorlog, die zoals bekend ook de planmatige verdelging van Serviërs ter hand had genomen.

Een krachtpatser uit Oostenrijk van Kroatische afkomst, "commandant Sinisa', bij de burgerlijke stand Drovski geheten, geeft leiding aan de "Zebra's'. Het gaat om een soort commando-eenheid die voornamelijk uit Kroatische skinheads lijkt te bestaan en vaak de meer riskante karweitjes opknapt. Het zogenoemde "Zwarte legioen' vormt een soort Kroatisch vreemdelingenlegioen in opbouw. Maar de meest beruchte groep is wel de HOS, het eigen legertje van de neofascistische "Partij van Rechts'. In het dorpje Sarvas hebben ze, goed in het zicht van de bewapende Serviërs in de omringende dorpen, de vlag van de fascistische Ustasa-beweging uit de oorlogsjaren gehesen. In de naburige stad Osijek brengen ze op straat elkaar de Hitler-groet.

Aan Servische zijde lijkt de situatie iets overzichtelijker, ook al omdat aan de Servische opstand een plan en een lange-termijnstrategie ten grondslag lijken te liggen. Er zijn nu twee regeringen in de door Serviërs bevochten en autonoom verklaarde gebieden in Kroatië: de Servische autonome provincie Krajina, en de Servische autonome provincie van Slavonië, Baranja en Zapadni Srem. In alle Servische opstandige gebieden, niet alleen in Kroatië, maar ook die in Bosnië-Herzegovina, is een politieke partij, de SDS, draagster van het beleid. Op de achtergrond spelen de regerende partij in Servië zelf, de SPS, en de Servische staatsorganen een dragende rol.

Op militair gebied uit de centralistische organisatie in Krajina zich in de “Militie van de Krajina”. Die bestaat uit het voormalige politiekorps ter plaatse, aangevuld met veel naar men zegt goedgetrainde en bewapende mannen in militair-aandoende uniformen. In de andere Servische gebieden zijn de strijders georganiseerd in wat de “territoriale verdediging (TO)” heet. In het communistische Joegoslavië organiseerden de deelrepublieken zulke territoriale verdedigingstroepen, die voornamelijk uit reservisten en vrijwilligers bestaan.

Vrijwilligers en gewapende dorpelingen spelen een grote rol aan de Servische kant, waar de strijd tegen de nieuwe Kroatische nationale staat in wording veelal gezien wordt als de strijd tegen de herleving van de vorige, die uit de oorlogsjaren. Het lijkt zeer de vraag of dit vete-achtig karakter van veel gevechten erg bijdraagt tot het scheppen van hiërarchische verhoudingen aan de Servische kant. In ieder geval draagt dit "volkse' karakter van de strijd zeer bij tot de soms ongelofelijke wreedheden die Servische- en Kroatische boeren elkaar in de marge van de strijd aandoen.

Ook aan de Servische kant van de strijd ontbreekt het niet aan militaire controle. De extreem-nationalistische partij SRS van Seselj heeft een eigen militie op de been gebracht, de Cetnici, genoemd naar de groepen die in een ver verleden de Turken, en in een recenter verleden de al of niet vermeende fascistische Kroaten bevochten. Hun symbolen, cassettes met liederen, krantjes en zwarte vlaggen met de tekst "Vrijheid of dood' zijn in de Servische hoofdstad Belgrado op straat te koop. De voornaamste Servische oppositiepartij, SPO, heeft ook een eigen militie, "het Servische leger' geheten, maar niemand heeft die ooit op het slagveld gezien.

Zeer reëel daarentegen is daarentegen de militaire bijdrage van de speciale eenheid van "Kapitein Dragan', een Australische bordeelhouder van Servische afkomst. Aanvankelijk opereerde hij in opdracht van de regering van Krajina, maar later kreeg hij ruzie met de machthebbers in Knin, de hoofdstad van Krajina. Inplaats van een "vliegende kiep' langs de Servische fronten, is kapitein Dragan nu tot een frequent bezoeker van nationalistische café's in Belgrado geworden.

Zwaar symbolisch is het bestaan van de Zevende Banja-brigade, een herleving uit de oorlogsjaren, als hij tenminste bestaat want niemand heeft de eenheid in het echt ooit gezien. Echt is daarentegen weer "Commandant Arkan', een bekende gangster uit Belgrado, die nu aan het front in Slavonië de meer gewelddadige aanhangers van de voetbalclub Rode Ster Belgrado van de straat houdt.

Ook het Joegoslavische leger (JNA) is niet meer de gestroomlijnde organisatie die het ooit geweest is. In ethnische zin wordt het JNA echter steeds meer een eenheid: omdat alle republieken behalve Servië weigeren rekruten te leveren, en tegelijkertijd veel Servische reservisten onder de wapenen zijn geroepen, wordt het door deserties geplaagde JNA van een multinationaal steeds meer een Servisch leger.

De belangen van het JNA vallen grotendeels samen met de aspiraties van de Servische regering, namelijk het zoveel mogelijk bijeenhouden van het huidige Joegoslavië - al was het maar omdat een rijkere republiek als Kroatië een belangrijke bijdrage levert aan de kosten van de strijdmacht. Het is volgens kenners echter geenszins zo, dat de legerleiding klakkeloos orders aanneemt van de Servische politieke leiding. Eerder is ook het leger een autonome factor geworden, nu elk effectief federaal gezag in Joegoslavië lijkt weggevallen.

Het is in deze onoverzichtelijke en steeds gewelddadiger wordende omgeving dat een Europese vredesmacht zijn werk zou moeten doen - voorwaar geen makkelijke opgave, zoals de steeds vaker zowel van Kroatische als Servische kant onder vuur genomen EG-waarnemers kunnen getuigen.

Een aanzienlijke handicap lijkt bovendien dat bijna alle bewapende partijen in Joegoslavië sterk tegen de komst van buitenlandse soldaten gekant zijn. De legerleiding heeft laten weten dat door een van de partijen in het conflict naar binnen gehaalde soldaten “vijanden zijn, tegen wie we een antwoord hebben”. Servië acht de komst van vreemde soldaten onverenigbaar met eervolle onafhankelijkheid en nationale soevereiniteit. En zelfs Kroatië lijkt plotseling alle belangstelling voor een Europese vredesmacht te hebben verloren, nu de leiders in Zagreb langzaam duidelijk wordt dat Europa minder is geïnteresseerd in de verdediging van Kroatië's huidige officiële grenzen, dan in een werkbare oplossing voor de ethnische problematiek in Joegoslavië.