Het rijk der insekten

Insekten, Cahier van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, 15e jaargang nummer 2, augustus 1991. Verkrijgbaar door het storten van ƒ 10,- op giro 154373 ten name van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij onder vermelding van "Insekten'.

Van de dertien delen van Brehms Tierleben zijn er elf aan de gewervelde dieren gewijd: vier aan de zoogdieren, vier aan de vogels, twee aan de amfibieën en reptielen en een aan vissen. Er blijven dan nog maar twee delen over voor de rest van het dierenrijk, de spinnen, mijten, insekten, wormen, weekdieren enzovoorts enzovoorts.

Ook in de dierentuin zijn voornamelijk gewervelde dieren te vinden. We zijn begaan met het lot van de zeehond, de walvis en de olifant. Iedereen denkt aan de bever, niemand denkt aan de luis in zijn pels.

Blijkbaar vonden de makers van de Cahiers Biowetenschappen dat niet eerlijk en daarom hebben ze nu eens een compleet deeltje aan de insektenwereld gewijd.

Veel mensen, zo schrijft de Leidse hoogleraar K. Bakker in zijn inleiding, kennen de vlo, de luis en de kakkerlak, maar ze hebben geen idee van de grote soortenrijkdom in het insektenrijk. Zo leven er in Nederland enkele duizenden soorten kevers en meer dan tweeduizend verschillende soorten vliegen en muggen. Ter vergelijking: in Nederland zijn de afgelopen eeuw zo'n vierhonderd verschillende soorten vogels gesignaleerd, waarvan zo'n honderd zeldzame dwaalgasten in een of enkele exemplaren.

Van alle wetenschappelijk beschreven dieren op de wereld hoort meer dan 80 procent tot de insekten en waarschijnlijk bestaan er vele miljoenen insektensoorten die nog nooit beschreven zijn.

In het boekje komen vijf onderwerpen aan bod. Eerst een algemene inleiding over lichaamsbouw en functioneren, met speciale aandacht voor het fabelachtige voortplantingsvermogen, dat een bonte genetische verscheidenheid en een groot aanpassingsvermogen aan allerlei extreme omstandigheden in de hand werkt.

Hoofdstuk twee behandelt de honingbij, eeuwenlang de voornaamste leverancier van zoetstoffen en pas in de loop van de vorige eeuw door de riet- en later bietsuiker verdrongen. Daarna volgen nog drie hoofdstukken over insekten als plaag, chemische bestrijdingsmiddelen en biologische bestrijding.

De cahiers Biowetenschappen, dat mag hier nog wel eens worden onderstreept, vormen een aanwinst voor de boekenplank. Heldere teksten, leuke kadertjes met praktijkverhalen, vlijmscherpe foto's, zoals die harige dweilsnuit van een vlieg op pagina 11 - adembenemend. Toch blijft de lezer (en juist de lezer die erg op kakkerlakken, krekels en ander ongedierte gesteld is) ditmaal met een katterig gevoel zitten. Om te beginnen had dit deeltje best wat meer redactionele zorg kunnen gebruiken. Deze vijf hoofdstukjes hangen als los zand aan elkaar. Elke schrijver begint weer bij het begin, legt nog weer eens uit dat er zoveel insekten bestaan en waarom nu juist monocultures zo vatbaar zijn voor plagen. Blijkbaar lagen die stukjes nog ergens op de plank en nu zit er een kaftje om.

Het verhaal over insekten als plaag is toegespitst op de land- en tuinbouw, maar blijft steken in studeerkamerbespiegelingen en eindigt met de vrome conclusie dat minder spuiten de boer minder kopzorgen zal bezorgen.

Maar dat is nou juist helemaal niet waar en het was interessant geweest om uit te leggen waarom dat niet zo is. Illustratief is de woedende boer die onlangs in het weekblad "Boerderij' uitriep dat hij liever voor 1500 gulden liet spuiten dan voor 1000 gulden liet schoffelen, dit naar aanleiding van de papiermolen die op gang komt als je scholieren een paar middagen de bieten in stuurt.

In dit boekje echter wordt de boer opgevoerd als iemand ""die spuit als zijn buurman het ook doet''. Daar heb je weer zo'n doctorandus, denkt de boer die dit leest dan en legt het boekje weg.

Het verhaal had veel aan overtuigingskracht gewonnen als er enige aandacht was besteed aan praktijkontwikkelingen op dit terrein. Bijvoorbeeld op de proefboerderij in Nagele, waar keiharde en zeer overtuigende saldoberekeningen op bedrijfsniveau zijn gemaakt voor een aanpak van veel, weinig, of helemaal niet meer spuiten. En een paar woorden over de ups en downs van het landelijke Epipré-programma dat akkerbouwers over zuinig spuiten moet adviseren waren ook leuk geweest.

Ook op het verhaal over chemische bestrijdingsmiddelen, door de redactie toevertrouwd aan een topman van Duphar, valt wel het een en ander af te dingen. Er wordt uitgebreid ingegaan op chemische syntheseprocedures en toelatingsformaliteiten. Maar geen woord over Bentazon in het Amsterdamse drinkwater! Er wordt vaagjes gesteld dat bestrijdingsmiddelen in de toekomst aan scherpere normen moeten voldoen en daar blijft het bij.

Onvermeld blijft ook dat veel chemische bedrijven helemaal geen interesse hebben in het ontwikkelen van moderne, selektieve middelen voor een kleine markt. Dat onderzoek ligt plat, archaische middelen domineren de markt, maar die indruk krijg je uit dit vlotte verhaal helemaal niet.

Het Meerjarenplan Gewasbescherming tenslotte wordt in een kadertje afgespiegeld als een zeer rigoreus draaiboek dat onze agrarische natie in grote problemen zal brengen.

Worden de lezers hier niet nodeloos ongerust gemaakt? Volgens alle critici is dat plan, dat geen knopen doorhakt maar alleen oproept om "het verbruik van slechte middelen met 50 procent te verminderen' boterzacht en op voorhand geflopt.