Goede politici hoeven niet ook nog erudiet te zijn

Mediasocioloog P. Hofstede ziet de toekomst van de cultuur somber in. Op de opiniepagina van 16 september gedenkt hij het politiek-literaire tijdschrift Encounter, dat onlangs ter ziele is gegaan. Hij grijpt de ondergang van dit blad aan voor een beschouwing over het huidige cultureel-politieke klimaat in Nederland.

Hofstede twijfelt aan het bestaan van "een nieuwe generatie intellectuele scribenten'. Jongeren lezen niet meer en zijn a-politiek, is de kern van zijn boodschap. Bewijs daarvan: de zich als intellectueel profilerende politicus Bolkestein is niet populair bij de jeugd.

Dat zegt meer over Bolkestein en zijn aanhang dan over de jongeren. De universiteiten en de scholen voor de journalistiek leveren elk jaar potentiële "intellectuele scribenten' af. Velen kiezen voor een studie geschiedenis, politicologie of voor een talenstudie, met als doel een loopbaan in de journalistiek.

Aan de Groningse universiteit start deze maand een doctoraalstudie journalistiek. De Erasmus Universiteit biedt aspirant-journalisten een postdoctorale opleiding aan. Dit zijn kweekvijvers voor toekomstige "intellectuele scribenten'. Hofstede suggereert dat in een voorbije tijd, namelijk die van de Koude Oorlog, de "intellectuele scribenten' elkaar verdrongen om ruimte te krijgen in bladen als Encounter. Maar net als nu ging het natuurlijk om een betrekkelijk kleine groep, zowel in Nederland als elders.

Het aantal "intellectuele scribenten' neemt niet af. Wie dat beweert, laat zich verblinden door de waan van de dag. Allerlei onderzoek mag aantonen dat er minder wordt gelezen: dat betekent niet dat de politieke essayistiek verdwijnt. Wij kunnen nu beoordelen welke auteurs vroeger werk van duurzame kwaliteit hebben geleverd. Dat oordeel is over tijdgenoten nog niet te geven.

Het is de boodschap van onheilsprofeten als George Steiner. Het einde van de Cultuur is in zicht, wij hebben te maken met "de laatste' schrijvers van betekenis, wat rest is "een luid rumoerend epigonendom' en soortgelijke formules. Niet wij, maar de loop van de tijd bepaalt wat van waarde en dus blijvend is. Ik zie niet in waarom onze tijd geen duurzame culturele produkten zal opleveren.

Hofstede klaagt ook over het gebrek aan cultuur in het politieke bedrijf zelf. Hij prijst de eruditie van Den Uyl en Van Riel. Maar de eruditie van deze heren was uitzonderlijk, niet alleen voor politieke begrippen. En als de belangstelling voor de politiek vroeger groter was, kwam dat niet door de Bildung van enkele kopstukken.

Het valt politici niet te verwijten dat zij niet erudiet zijn. De meeste mensen, dus ook politici, geven de voorkeur aan een surfplank boven Slauerhoff. Politici moeten besturen en dienen te worden beoordeeld op hun bestuurlijke kwaliteiten. Een gebrek aan erudiete politici is normaal en zegt niets over een verslechtering van het cultureel-politieke klimaat.

Heel bont maakt Hofstede het met zijn veroordeling van "de urbane clipcultuur'. Die levert volgens hem een nageslacht op waarvoor democratische waarden niet langer "heilig zijn'. Denkt Hofstede dat de moderne massacultuur de democratie ondermijnt? Dat de burger zich door een overschot aan oppervlakkig vermaak niet meer interesseert voor de democratie? De geschiedenis laat zien dat de ondergang van de democratie meestal het gevolg is van andere, namelijk economische en politieke factoren.

Met Hofstede heb ik geen hoge dunk van het culturele niveau van de studierichtingen bedrijfskunde en communicatiewetenschappen. De populariteit van deze vakken onder studenten is evenwel geen reden te wanhopen over de toekomst van de cultuur. Ik wees al op het potentieel aan toekomstige scribenten. Kijk ook naar het aantal literaire debuten, dat jaarlijks toeneemt. Daar zitten natuurlijk eendagsvliegen tussen, maar de behoefte aan creatieve produktie is ruimschoots aanwezig.

Hofstede stelt dat creatieve uitingen "die slecht in de markt liggen' geen groot publiek meer kunnen bereiken. Ten onrechte legt hij de verantwoordelijkheid daarvoor bij magnaten die "haast ongemerkt' de internationale cultuurmarkt zijn gaan beheersen. Tegendraadse creatieve uitingen hebben nooit een groot publiek bereikt. Dat is inherent aan tegendraadsheid. En hoe kan een media-socioloog de tendens tot concentratie in de culturele sector zijn ontgaan?

Wie een groot publiek wil bereiken of veel geld wil verdienen schrijft een bestseller of begint een commercieel televisiestation. Daarbij is geen sprake van "zelfcensuur'. De commercie stelt andere eisen dan de kunst, dat weet iedereen. De "woordcultuur' is helemaal niet “aan inflatie en verraad bezweken”, zoals Hofstede pathetisch schrijft. De woordcultuur zal de opkomst van de satelliettelevisie in zich opnemen en verwerken. Zolang er behoefte is aan politiek-cultureel debat zal CNN het geschreven woord niet verdringen. En voor bladen als Encounter, die sterk tijdgebonden zijn, zullen andere in de plaats komen.