Gewetensvolle Solti doet eerder een beroep op hersens dan op hart

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Sir Georg Solti. Programma: D. Sjostakowitsj: Eerste symfonie; I. Strawinsky: Le Sacre du Printemps. Gehoord: 18-9 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 19, 21- 9. Radio-uitz.: 16-10 Avro (opname 19-9).

Voor het eerst sinds 1 december 1955 stond Sir Georg Solti gisteravond weer in het openbaar voor het Concertgebouworkest en de hernieuwde samenwerking beviel de beroemde dirigent zelf kennelijk veel beter dan het altijd nogal gereserveerde Amsterdamse abonnementspubliek, al kwam dat nu tot enig bravo-geroep.

Solti toonde zich na de Eerste symfonie van Sjostakowitsj en vooral na de uitvoering van Strawinsky's Le Sacre du Printemps tegenover de musici buitengewoon minzaam tevreden over de geleverde prestaties, schonk alle aangedragen bloemen weg aan de orkestleden, bracht hulde aan een aantal solisten, deelde her en der hartelijke schouderklopjes uit en maakte zelfs, toen hij concertmeester Jaap van Zweden nogmaals de hand drukte, een buiging voor hem: voorwaar een zeldzaam gebaar van erkentelijkheid.

Maar de terughoudendheid bij de toehoorders was toch voor een deel wel na te voelen. Solti dient vooral de muziek, niet het publiek, hij doet een rechtstreeks beroep op het hoofd, op oren en hersens en probeert niet in eerste instantie hart en de emoties te beroeren. Solti dirigeert met zijn volle verstand, op een analytisch briljante èn consequente manier.

De Sacre, bij voorbeeld, kent bij Solti een strenge rechtlijnigheid, de frenetieke ritmes houdt hij compromisloos exact vast, hij laat ze niet organisch uitgroeien tot een verpletterend opzwepende climax en het slot van zo'n passage is even plotseling als afgemeten. Daar ben ik dan weer buitengewoon enthousiast over.

Solti, steeds dirigerend vanuit de partituur, laat zich niet meeslepen, hij geeft zich niet over zoals dat bij Bernstein het geval was. Solti houdt enige afstand en organiseert een klinkklare uitvoering die nergens massief is en ook in de fortissimi volkomen helder blijft. Bovendien toont Solti zich een meester in het doseren van spanning en dynamiek - niets geeft hij voortijdig weg en hij kan angstwekkende stiltes laten vallen.

En daarbij - enisgzins in tegenstelling tot mijn eigen verwachting - zoekt Solti het absoluut niet in de extremen, laat staan dat hij de grenzen daarvan probeert te verleggen. Er klinkt her en der wel schrilheid, maar de expressie gaat nooit over de schreef. Voor Solti is de Sacre pure Strawinsky zoals alle andere stukken van Strawinsky. De Sacre is voor hem geen exceptie in het Strawinsky-oeuvre die gebaat is met een aanpak waarbij de houtblazers een ruig oergeluid produceren, het koper snoeihard scheurt of de door het slagwerk aangedreven ritmiek een jazzy articulatie krijgt, hoe aansprekelijk dat ook kan zijn.

Le Sacre du Printemps is bij Solti een gebeurtenis die zijn fascinatie vooral ontleent aan het gewetensvol etaleren van de klare componeerkunde van Strawinsky, niet zozeer aan de opwindende exotiek van de Russische muziek of aan het duistere mysterie van het voor ons onnavoelbare eeuwenoude ritueel van het lente-offer: hij exploiteert de nuances tenvolle en verliest zich niet in het opblazen van de contrasten. Bij Solti is de Sacre Kunst en geen folklore.

Diezelfde schitterend strak beheerste orkestraal-technische aanpak hanteerde Solti ook in de Eerste symfonie van Sjostakowitsj (1926). Het is een nog steeds verbijsterend werk van de negentienjarige, een muzikaal tijdsbeeld dat reikt van Mahler tot en met Strawinsky, maar tegelijkertijd ook heel persoonlijk in de verwerking: men hoort hier het fundament van Sjostakowitsj' oeuvre: zijn aangrijpende kamermuziek, de uiterlijke kanten èn het innerlijk belang van zijn symfonische muziek, zoals in die eindeloos weemoedig klinkende gestopte trompet.

Helder en scherp wist Solti dat alles te profileren, in het virtuoos gespeelde presto spatte de brille er spectaculair vanaf. Maar ook hier bleef die geacheveerde afstand: het slot was niet pompeus maar laconiek.