Filmdagen geopend, prijs naar Ruven en Filmkrant

UTRECHT, 19 SEPT. De elfde editie van de Nederlandse Filmdagen is gisteravond geopend met een goed ontvangen première van de verfilming door Jan Bosdriesz van Jan Brokkens roman De Provincie.

Ook werden de eerste van de vele prijzen van het Festival uitgereikt. De Cultuurprijs, een Gouden Kalf toegekend door het bestuur van het Festival aan een persoon of instantie wegens bijzondere verdiensten voor de Nederlandse filmcultuur, kwam terecht bij De Filmkrant, Nederlands grootste en gratis verspreide filmpublikatie, die al tien jaar lang een geheel onafhankelijk geluid laat horen. Vorig jaar was die Cultuurprijs al bijna uitgereikt aan hetzelfde blad, als niet juist ergernis over die onafhankelijke opstelling het bestuur van de Nederlandse Filmdagen op het laatste moment op andere gedachten gebracht had. Redacteur-uitgever en oprichter van de Filmkrant Jan Heijs sprak in zijn dankwoord de hoop uit dat het laagje goudverf op de trofee genoeg uitstraling zou hebben om ook de financiële zorgen van de uitgave te verlichten.

Een andere prijs, toegekend door de stad Utrecht, ging naar de geheel gezongen eindexamenproduktie van Paul Ruven, De Tranen van Maria Machita. Het moet wel heel raar lopen als het op de Filmdagen bij deze ene prijs blijft voor de uiterst originele smartlap over een naar geluk strevend kippenslachtstertje.

Het programma van de elfde Filmdagen bevat weer een groot aantal premières en retrospectieven van de filmers Erik van Zuylen, Harry Kümel en Raoul Servais en van de acteur Jeroen Krabbé. Al op de openingsavond trokken twee premières de aandacht. De Haarlemse animatiefilmer Gerrit van Dijk maakte in samenwerking met het Frans Hals Museum een wervelende compilatie van schilderijen uit verschillende periodes, door originele bewegingen in een doorlopend verhaal aan elkaar verbonden, onder de titel Frieze Frame. In gelukkig ondertitelde, plat Brussels gesproken dialogen vertelt de Belgische cineast Rudolf Mestdagh in Vol-au-Vent een komisch verhaal over de sociale dwang, waarvan een dove buurtbewoner met assertieve kip het slachtoffer wordt.

De eerste dagen van het Nederlandse filmjaaroverzicht bieden de premières van een aantal interessante produkties, waarbij de rol opvalt van televisieomroepen als coproducenten, al dan niet ondersteund door het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties. Het feit dat de jury, die de Gouden Kalveren uit moet reiken, wordt geleid door de voorzitter van dat zelfde stimuleringsfonds, Jan Kassies, vertroebelt enigszins de discussie over de waarde van de toenemende invloed van de televisie. Zonder participatie van een zendgemachtigde kan bijna geen film meer tot stand komen. Als deze jury een stimuleringsfondsproduktie bekroont, zal een storm van protest opsteken, maar als zij ze negeert, is het ook niet goed.

In samenwerking met de Vara maakte Sander Francken bijvoorbeeld de verfilming van een tragi-komisch stuk van Alan Ayckbourn, Way Upstream. Een bioscooproulement van de film kan niet verhullen dat het hier tamelijk conventioneel vormgegeven tv-drama betreft, maar dan wel van de bovenste plank. Vijf voortreffelijke acteurs, onder wie vooral Geert de Jong, Aus Greidanus en Celia van den Boogert opvallen, tillen het drama uit boven de voorspelbare beperkingen van een klassieke dramatische situatie: indringer terroriseert gezelschap in besloten ruimte en werkt als katalysator van hun smeulend ongenoegen. Het decor is dit keer een jacht op de Vecht, waar twee zakenpartners met hun echtgenotes een rustige vakantie dachten door te brengen, totdat riviercrimineel Gees Linnebank roet in het eten komt gooien.

De Vare coproduceerde ook De Peck en Veder Methode, waarin regisseur Eddy Habbema een groot aantal studenten van de Arnhemse toneelschool vergeefs tracht te inspireren tot respectabele visitiekaartjes. Aan het door Edgar Allen Poe geschreven verhaal over de machtsgreep van de patiënten van een gekkenhuis zal het niet gelegen hebben dat dit tv-drama gênante proporties aanneemt. Beter acteren eindexamenkandidaten van de Maastrichtse toneelschool in Heddy Honigmanns halflange speelfilm Verhalen die ik mezelf vertel.

Maar ook hier wreekt zich een gebrek aan doordachtheid van het scenario, in een aaneenschakeling van dagdromen, waarin de verteller zijn vrienden de hoofdrol laat spelen. Als “spectacle coupé” lijkt de film wel enig vertier te bieden, maar zodra er een dramatische ontknoping meegebakken gaat worden, verzandt het verhaal in futiliteiten.