Een knkelveld op zijn kant; Begrafenisrituelen van de Afrikaanse Tellem

Nog steeds is Afrika vanuit geschiedkundig oogpunt grotendeels terra incognita. Het noorden werd redelijk in kaart gebracht, maar van het deel onder de Sahara, zeg maar zwart Afrika, is erg weinig bekend. De eerste geschreven berichten dateren uit de elfde eeuw toen Arabische ontdekkingsreizigers naar het zuiden en westen doordrongen. In het begin van de vijftiende eeuw werden zij gevolgd door christelijke collega's die de weg vrij maakten voor de gezamenlijke Europese koloniale activiteiten.

Arabieren noch Europeanen legden veel interesse aan de dag voor de Afrikaanse volkeren, laat staan voor hun geschiedenis. Er is daarom daarom weinig van bekend. Op een aantal punten is echter mondelinge overlevering beschikbaar. Zo vertellen de Dogon, een volk in centraal Mali, over de Tellem, mensen die voor hen in het aan ravijnen rijke gebied tussen de Vlakte van Gondo en de rivier de Niger woonden.

De Tellem, voor wie de Dogon een heilig ontzag hebben, hadden hun doden in grotten in hoge steile rotswanden begraven. In het Dogon betekent Tellem: "wij vonden hen' en de verhalen willen dat zij, net als de Dogon zelf, ergens anders vandaan zijn gekomen.

Tussen 1964 en 1974 werd door het toenmalige Instituut voor Antropobiologie van de Rijksuniversiteit Utrecht een onderzoek naar de materiële resten van deze Tellem-cultuur uitgevoerd. Nog afgezien van de tropische omstandigheden, stelden de steile rotswanden de onderzoekers voor grote problemen. Sommige grotten konden de onderzoekers slechts bezoeken door zich in een aluminium cabine langs de rotswand omhoog te laten hijsen.

Opzij

Eenmaal in de grotten werden ze met een nieuw probleem geconfronteerd: de Tellem zetten hun doden direct op de rotsgrond bij en schoven, als er geen plaats meer was, de voorgangers onverbiddelijk opzij. De grotten misten daardoor een verticale stratigrafie. Dat was een grote handicap om tot dateringen te komen. In sommige gevallen, grot C bijvoorbeeld met drieduizend bijzettingen, was het zo'n janboel dat grafgiften ook niet meer aan individuen konden worden toegewezen.

Maar tegenover deze moeilijkheden stond de uitstekende toestand waarin de resten bewaard gebleven waren, door de droogte was alles uitstekend geconserveerd.

Hoewel dus een stratigrafie ontbrak, slaagde men er toch in een voorlopige chronologie op te stellen. Relatieve datering werd verkregen door het volgen van de ontwikkelingen in de materiële cultuur: gebruiksvoorwerpen, architectuur en grafgiften. Deze bevindingen lijken te worden bevestigd door uitslagen van C-14 onderzoek. De oudste vondsten dateren uit de elfde eeuw en de jongste, nog tot de Tellem-cultuur behorende, uit de zestiende eeuw.

De grotten bleken niet alleen als begraafplaats te zijn gebruikt, maar ook voor de uitvoering van begrafenisrituelen en de tijdelijke opslag van voedsel. Bij gevaar dienden ze mogelijk tot schuilplaats.

De eerste doden werden bijgezet in lemen graanschuurtjes die de Tellem in de grotten aantroffen en die waarschijnlijk uit de tweede of derde eeuw voor Christus afkomstig zijn. Deze fase in de geschiedenis van het gebied wordt Toloy genoemd naar het ravijn waarin men de schuurtjes het eerst vond. Uit de periode tussen dit tijdstip en de elfde eeuw werd niets aangetroffen.

Onbruikbaar gemaakt

Omdat er nooit een Tellem nederzetting is opgegraven weten de onderzoekers niet of wat zij in de grotten vonden een volledige afspiegeling is van de materiële cultuur van de Tellem. Duidelijk werd wel dat de kommen en schalen die aan de doden werden meegegeven, wat techniek en vorm betrof, afwijken van het dagelijkse gebruiksgoed. Maar verder werden de Tellem bijgezet in hun eigen kleren en met persoonlijke bezittingen: gereedschap, wapens, kalebassen, mandjes en dergelijke.

Deze vondsten lichten ook een tipje op van de sluier rond het begrafenisritueel. Bijna alle gebruiksvoorwerpen waren op de een of andere manier onbruikbaar gemaakt. Punten van messen en pijlpunten waren omgebogen, bogen gebroken en bladen van hakken van de steel gehaald. De dode werd ook een sandaal afgenomen; er is nooit een compleet paar gevonden.

Vergelijkingen van aantallen grafgiften en skeletten hebben aangetoond dat het ene individu meer mee kreeg dan het andere. Zoiets zou erop kunnen wijzen dat de Tellemcultuur statusverschil kende. Kinderskeletten ontbraken overigens in de grotten. Zij zullen ergens anders zijn begraven.

Tussen de elfde en de veertiende eeuw veranderde de materiële cultuur van de Tellem niet bijzonder. Pas in de eeuw daarna deden zich echte verschillen voor. De onderzoekers brengen dit in verband met de komst van de Dogon naar het gebied. Dit tijdstip voor de ontmoeting van beide volken wordt bevestigd door het maskerheiligdom van de Dogon. Elke zestig jaar plaatsen zij een nieuw masker in een grot en er staan er nu negen.

Uitgestorven

De Tellem weken wat hun uiterlijk betrof nogal af van de Dogon en van andere volkeren in de omgeving. Men vermoedt dat zij niet autochtoon waren (het plotse verschijnen van hun cultuur duidt daar al op) maar afkomstig uit vochtigere tropische klimaatzones.

Wat er uiteindelijk van hen is geworden weet niemand. De Dogon vertellen dat de Kourouba een buurvolk, van hen zouden afstammen. Daarvoor verschillen de fysieke kenmerken van de twee echter teveel. Waarschijnlijk zijn de Tellem door een fatale combinatie van hongersnood, ziekte en oorlogsgeweld uitgestorven.

Een deel van de vondsten uit Mali worden nu in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden tentoongesteld. Het gaat om de kleding die op de Tellem doden werd aangetroffen. Deze meestal katoenen weefsels werden op het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap geconserveerd en daarna uitvoerig onderzocht door Rita Bolland, honorair medewerkster van het Tropen Instituut te Amsterdam. Zij concludeerde onder meer dat de Tellem mannen al in de elfde eeuw alle fijne kneepjes van het weefvak onder de knie hadden. Wat hen betrof was het middeleeuwse Arabische dédain voor de "heidense naaktlopers' dus niet op zijn plaats. Rita Bolland kreeg 11 september het eerste exemplaar van haar boek over de Tellem weefsels overhandigd.

Morgen wordt in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden de tentoonstelling "Kleding voor de doden' geopend. Voor de weefsels voorgoed naar Mali teruggaan zijn ze nog in het Amsterdamse Tropenmuseum te zien.

Kleding voor de doden. Tellem weefsels uit Mali. In het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden van 20 sept. 1991 tot en met 26 jan. 1992. Openingstijden: dinsdag t-m zaterdag van 10-17; zondag 12-17.De brochure kost ƒ 5,00.

Tellem textiles. Archaeological finds from burial caves in Mali's Bandiagara Cliff. ISBN 90 6832 224 9. Prijs ƒ 100,-.