De miljoenenhandel in tropische vogels

De handel in exotische vogels is zeer lucratief. Ook het criminele vogelcircuit doet goede zaken.

Gezien de vraag van het publiek, zorgt de dierenhandel in Nederland vanouds voor een ruim aanbod. Vooral in het zuiden van het land zijn volgens kenners de afzetmogelijkheden goed. Een Tilburgse dierenwinkel, een van de zes "speciaalzaken' in deze stad, biedt dan ook een royale sortering. Naast de gebruikelijke handelswaar telt het assortiment ratten, muizen, slangen, een chincilla en enkele civetkatten, kleine roofdieren die van nature thuishoren in zuidelijke streken. In het midden van de ruimte staat als blikvanger een kooi met twee apen, die al jaren in deze krap bemeten ruimte hun dagen slijten. Even verder huist een kaaiman in een kist waarin hij zich net niet volledig kan uitstrekken.

Maar de belangrijkste attractie vormen de vogels. Ze zijn er in alle soorten en maten: dwergkwartels, parkieten, baardvogels, bandvinken, Aziatische insecteneters, Japanse nachtegalen, zilveroornachtegalen uit Pakistan, Keniaanse bulbuls en een Zuidamerikaanse suikervogel met een afgebroken bovensnavel. Wachtend op kopers, zitten de honderden vogels opeengepakt in kleine, smoezelige hokken; zelfs van de Tanzaniaanse sunbirds zijn de veren vies en dof.

Sommige winkels besteden meer zorg aan de hygiëne, maar ook daar is het deprimerend te zien hoe de vogels datgene wordt ontnomen wat voor hen essentieel is: de mogelijkheid te vliegen. Voor de ware liefhebber is dat kennelijk geen bezwaar. De praktijk leert dat veel Nederlanders waarde hechten aan het bezit van (veelal geïmporteerde) vogels, die zij in de woonkamer of op eigen erf in leven trachten te houden. “Je moest eens weten wat een papegaai of kolibri voor de mensen betekent”, zegt de Rotterdamse handelaar 't Hart. “Vooral voor werklozen en gepensioneerden is het een liefhebberij die hen levensvreugde geeft. Anderen voeren daar tegenwoordig oppositie tegen, maar ze zouden zich beter kunnen richten op Sint Bernhards die tien hoog opgesloten zitten op het balkon van een flat.”

't Hart en andere handelaren stellen dat de prijzen van vogels niet alleen worden bepaald door het aanbod, maar ook door wat op een gegeven ogenblik in de mode is. Tal van parkieten en andere kleine soorten kosten enkele tientjes, zebravinken en blauwfazantjes niet meer dan een paar gulden. Een toekan, aangeduid als een "goed produkt', doet echter al gauw 700 gulden en voor papegaaien varieert de prijs van duizend gulden (een Weberi Lori) tot tienduizenden guldens voor een zeldzame ara.

Hoewel dergelijke exemplaren in de legale handel niet voorhanden zijn, is de omzet van de dierenwinkels mede dank zij de vogelverkoop fors gestegen. De winkels hebben nu een omzet van gemiddeld vier ton, meldt Quirinus van Dijk namens Dibevo, een organisatie waarbij zowel 300 grossiers als 800 van de 1500 winkeliers in deze branche zijn aangesloten. Maar de goede tijden zijn voorbij, zo voorziet hij. De belangrijkste reden hiervoor is het recent genomen besluit van de meeste Europese en Noordamerikaanse luchtvaartmaatschappijen (waaronder de KLM) geen in het wild gevangen vogels meer te vervoeren.

Pag 22:

"Sanering dierenhandel is onvermijdelijk'

Van Dijk van Dibevo ziet de maatregel van de luchtvaartmaatschappijen als een signaal dat in onze samenleving de afkeer groeit tegen het aanbieden als koopwaar van uit "het wild' afkomstige dieren. Deze tendens in combinatie met pogingen het bezit van katten en honden af te remmen (onder meer door het verplicht stellen van een poepschep) zal naar zijn idee op termijn leiden tot een omzetverlaging van veertig procent. Gezien dit perspectief acht hij een harde sanering van de dierenbranche onvermijdelijk. “Een aantal notoire domkoppen in deze handel sluit zijn ogen nog steeds voor de realiteit, maar men zal merken dat er geen andere weg is.”

De in juli gepubliceerde beslissing van de KLM het transport van "wildvang' vogels te staken, volgde op soortgelijke aankondigingen van Swissair en Lufthansa. Evenals de 24 andere luchtvaartmaatschappijen die inmiddels zijn gestopt, liet de KLM weten dat zij onvoldoende garanties kon krijgen ten aanzien van "de gezondheids- en welzijnstoestand' van de vogels.

In werkelijkheid speelt beduchtheid voor het imago van het bedrijf een zeker zo grote rol, zo menen Britse organisaties voor natuurbescherming als de Eurogroup for Animal Welfare en de Environmental Investigation Agency (EIA). Naar hun idee zorgden berichten over de ontelbare vogels die voor en tijdens hun onvrijwillige vlucht omkomen (de "uitval', zoals het in vakkringen heet) voor te veel negatieve publiciteit. Een markant voorbeeld was eind 1989 het nieuws over een KLM-toestel dat van Tanzania via Amsterdam naar Londen vloog, waar na aankomst vele honderden van de ruim 15.000 vogels aan boord dood bleken te zijn.

Dergelijke rampenzendingen, zoals ze worden genoemd, komen wel vaker voor; bij transporten van vogels "met een lage waarde' is het niet ongewoon dat honderd procent overlijdt, meldt de EIA. Maar in de regel is de score gunstiger. Op grond van de beschikbare gegevens komt de Britse Vogelbescherming (RSPB) op een gemiddeld sterftecijfer van veertien procent.

Natuurbeschermers beschouwen de koerswijziging van de grote luchtvaartmaatschappijen als een doorbraak. “Doordat de belangrijkste toevoerlijnen nu zijn geblokkeerd, is de Europese handel in exotische vogels met zeker veertig procent afgenomen”, aldus een woordvoerder van de EIA. “Ervan uitgaande dat het bij de vogelhandel om miljoenen exemplaren gaat, is dit een moedgevend succes.”

De Engelse Vogelbescherming vindt de vervoersstop bovendien een prikkel voor de EG om haast te maken met een verbod op de import van vogels uit andere werelddelen. De Britse ministers van landbouw en milieu zullen daar binnenkort in de Europese Commissie op aandringen; optimisten verwachten dat zo'n verbod in 1993 van kracht kan zijn.

Maar niet iedereen is verheugd over de laatste ontwikkelingen. De Nederlandse Dierenbescherming en ambtenaren op het ministerie van landbouw voorspellen dat andere luchtvaartmaatschappijen de handel graag zullen overnemen. De namen vallen van Air Egypt, Air Ethiopia en Air Uganda, maar ook van Zuideuropese ondernemingen: vervoerders die minder goed zijn toegerust voor dit doel, zodat de omstandigheden voor de vogels nog slechter worden dan ze al waren. Voor de in het nauw gedreven grossiers vormen ook chartervluchten, naar men vreest, een goed alternatief. Een voorbode hiervan was een toestel uit Tanzania, dat onlangs met 2,5 ton vogels landde op Zestienhoven - een vliegveld waar de gewenste faciliteiten voor dergelijke zendingen ontbreken.

Ernstiger is dat de nieuwe situatie een negatief effect kan hebben op het natuurbeheer in de exportlanden. “Vermindering van de uitvoer leidt daar tot een ernstig verlies aan inkomsten, waardoor de belangstelling voor de natuur afneemt”, meent een ambtenaar. “Beter zou het zijn de bevolking te leren haar natuurlijke hulpbronnen zorgvuldig te exploiteren: pas dan is er kans dat die bronnen worden beschermd.”

De beste oplossing is een quotum-systeem, dat aangeeft hoeveel vogels in een bepaalde periode mogen worden gevangen, stelt drs. Arnold van Kreveld van Traffic Nederland, een door het Wereld Natuur Fonds gesteund opsporingsnetwerk. “Men zal alleen bereid zijn iets voor de natuur te doen als het besef er is dat bij voorbeeld een vogel economische waarde heeft.”

Nederlandse handelaars, die hun nering bedrijven onder namen als De Vogelvriend, Het Vogelparadijs en Interbird, zijn daarvan allang doordrongen. “Bij de meesten van hen gaat het alleen om geld, de inkomsten zijn hun enige maatstaf”, zegt Peter Vingerling van de Dierenbescherming. Dit heeft althans één gunstig neveneffect: nu importvogels door de vervoersbarrière duurder worden, zal men meer zaken willen doen met kwekers in eigen land. Deze krijgen daardoor een betere bestaansbasis, zodat gefokte vogels een groter deel van de markt gaan bestrijken.

Toch is de verwachting dat de zwarte handel in beschermde of bedreigde vogelsoorten de komende tijd nog aanzienlijk zal toenemen. Legio zijn de voorbeelden die aangeven hoe men hierbij te werk gaat: de een verbergt een vogel in de holle ruimte van zijn autoportier, een ander stopt een met valium verdoofde papegaai in een stuk PVC-buis en een derde voert haar kostbare bezit mee in een handtas.

Maar dit alles is kinderspel vergeleken met de wijze waarop het criminele vogelcircuit (door de EIA vergeleken met de cocaine-maffia in Colombia) de zaken aanpakt. Een aantal handelaren laat beduidend meer aanvoeren dan de factuurlijsten vermelden en verkoopt de extra hoeveelheid met enorme winst onderhands, anderen gaan verder en voeren complete zendingen illegaal in. Pas nog reed een Utrechtse handelaar een oplegger vol tropische vogels uit Portugal naar Nederland, vertellen insiders. Aangenomen wordt dat veel van zijn collega's de contrabande aanvoeren uit Spanje of Oost-Europa; België doet daarbij dienst als distributieland.

Dibevo-voorman Van Dijk ontkent dit alles niet. “Er zijn in dit vak 200 à 300 scharrelaars die zonder enige moraliteit te werk gaan. Ze verdienen veel, maar dragen niets af aan btw en belasting. Zonder dat de Fiod er iets aan doet, verdwijnen er zo miljoenen onder de tafel.”

Jinke Jonkman van Greenpeace en Peter Vingerling van de Dierenbescherming wijten deze wantoestand vooral aan het falen van de Algemene Inspectiedienst (AID). De afdeling Natuurbescherming van de dienst beschikt op Schiphol over drie man, een bezetting die een redelijke controle onmogelijk maakt. Ook het vervoer per container naar de Rotterdamse haven krijgt nauwelijks aandacht, weet Jonkman.

Elders in het land is van toezicht al helemaal geen sprake. Wie op woensdag in alle vroegte de markt in Barneveld bezoekt, hoeft volgens Van Dijk niet verbaasd te staan als hij iemand twaalf ara's uit de kofferbak van de auto ziet halen. De vogels zijn waarschijnlijk het land binnengesmokkeld ofwel hier ergens gestolen, maar in dit soort gevallen blijkt de politie niet bereid een onderzoek in te stellen. “Het zijn toch maar vogeltjes, daar kunnen we niet aan beginnen”, is een veelgehoorde reactie. De overheid toont vooralsnog weinig animo het beleid te veranderen. “Overal waar we komen, krijgen we nul op het rekest”, zegt Vingerling. “We worden er soms moedeloos van.”

Een extra complicatie is de in dit opzicht gebrekkige Nederlandse wetgeving. Enige verbetering valt te verwachten als (onder meer) de Natuurbeschermingswet, de Wet Bedreigde Uitheemse Diersoorten en de Vogelwet zijn samengevoegd in een nieuwe Flora- en faunawet, maar het kan nog jaren duren voor het zover is. Weinig bemoedigend voor de naaste toekomst is ook het vooruitzicht dat in 1993 binnen de EG een vrij verkeer van mensen en goederen tot stand komt. De slechte controle in zuid-Europa (nog gebrekkiger dan die in Nederland) zal naar verwachting een extra stimulans betekenen voor de illegale sector van de dierenhandel.

De kans is dan ook klein dat deze branche, onlangs op een symposium aangeduid als een "ongeregelde club die op grote schaal de natuur leegrooft', binnen afzienbare tijd haar slechte naam kan zuiveren. In het kantoor van zijn vogelpark noemt Quirinus van Dijk (Qriel voor zijn vrienden) het "roversimago' overtrokken, maar hij erkent wel dat het welzijn van "de levende have' tot nu toe te weinig aandacht kreeg. “Velen in dit vak zagen niet dat de tijden veranderden. Ze zijn stil blijven staan in de jaren zestig en zeventig: de periode dat men het een leuke hobby vond om, als het zo uitkwam, een jonge leeuw of een pantertje in de tuin te houden. Het besef moet doorbreken dat de mentaliteit tegenwoordig anders is, dat je nu voor een dier net zo goed verantwoordelijkheid moet dragen als voor een kind.”

Van Dijk, wiens vader op bestelling olifanten, giraffen en buffels leverde, vertelt dat hij zelf in dit opzicht een groeiproces doormaakte. Op zijn veertiende al ging hij in Indonesië op jacht naar rijstvogels, een aantal jaren daarna had hij het in India gemunt op fazanten en naderhand richtte hij zich in Zuid-Amerika op zangvogels; pas in een veel later stadium leerde hij geleidelijk aan het onderscheid zien tussen een ding en een dier.

Zo ver zijn velen van zijn collega's nog niet. “Maar wat wil je ook in een land waar elke sigarettenverkoper zich mag vestigen als dierenhandelaar? Zolang zo iemand, niet gehinderd door vakkennis, ongestraft honderd kisten met blauwfazantjes in Tanzania kan bestellen, ziet het er voor dit vak somber uit.”

Pragmatisch redenerend, concludeert Van Dijk dat de bonafide handel alleen met harde methoden zichzelf kan beschermen. “De verkeerde elementen moeten worden geweerd”, stelt hij strijdlustig. “De Dibevo zal de leveranciers strenge kwaliteitsnormen moeten stellen, iets anders zit er niet op. Het zou best eens kunnen dat van de 150 importeurs er maar tien aan onze eisen voldoen.”

Ook ten opzichte van de klant acht hij een nieuwe aanpak geboden. “Als een jongen van zeventien jaar zijn zinnen heeft gezet op een papegaai, moeten we eerst nagaan of hij wel in staat is het dier te verzorgen. En voor iemand die een krokodil wil hebben om op zijn vrienden indruk te maken, geldt maar één advies: koop liever een BMW.”