De kiel van Gijs zou nodig in de was moeten

Mevrouw T. Driesen, gepensioneerd MAVO-lerares te Amsterdam, heeft een sympathiek staaltje burgerzin geleverd. Zij had gelezen dat schoolkinderen in de Amsterdamse Pijp na een jaar basisonderwijs soms nog niet kunnen lezen. Vroeger kwam zoiets alleen maar bij uitzondering voor. Bijna alle kinderen konden in de eerste klas van de lagere school, zoals dat ooit heette, met Kerstmis al lezen, dus na een kwartaal.

Nu zijn veel kinderen in groep vier van de basisschool, voorheen de tweede klas van de lagere school, nog vrijwel analfabeet. Hoe zou dat nu komen, vroeg mevrouw Driesen zich geschrokken af. Misschien wel door de veranderde onderwijsmethoden. Zij stapte naar de Commissie Sociale Vernieuwing in de gemeente Amsterdam. "Waarom voeren we het leesplankje niet weer in? Aap-Noot-Mies, de in 1897 door Hoogeveen uitgedokterde leermethode, had veel betere resultaten dan wat men tegenwoordig doet. De cijfers wijzen het uit.'

Eureka! riep de Amsterdamse gemeenteraad. Want al is de leesplank in 1966 afgeschaft, er zijn toch nog heel wat Raadsleden die dankzij Wim, Zus, Jet, Teun en Gijs het geschreven woord machtig zijn geworden. Mevrouw Driesen gaat op grond van het gemeentelijke besluit binnenkort aan de slag om moeilijk lezende kinderen met behulp van het leesplankje bijles te geven. Ongetwijfeld zal zij daar successen mee boeken omdat uit haar initiatief zelf een grote motivatie en overtuigingskracht naar voren komt - eigenschappen van een onderwijzer(es) waar geen leermethode tegenop kan.

Maar misschien is er voor de zorgwekkende achterstand bij het leren lezen op sommige scholen in specifieke buurten van de grote steden nog wel een andere verklaring denkbaar dan de afschaffing van de leesplank. Of zou het erg ver gezocht zijn te veronderstellen, dat kinderen die het Nederlands als tweede taal leren, bijvoorbeeld omdat er thuis voornamelijk Turks of Arabisch wordt gesproken, meer moeite hebben met de leesles dan kinderen die van huis uit Nederlands praten? Leren lezen in een vreemde taal, wat het Nederlands voor zesjarige allochtone kinderen is, roept grote problemen op.

Eerst moet je leren dat zo'n dier met een lange staart en een raar hoedje op een aap is. Pas daarna kun je eraan toe komen, te leren dat het woord aap moet worden geschreven met de letters a-a-p.

Het Amsterdamse besluit om de goede oude leesplank weer te voorschijn te halen - een relikwie uit tijden waarin sommige problemen eenvoudiger waren of nog niet bestonden - getuigt behalve van de goede wil van mevrouw Driesen voornamelijk van de naïviteit van de sociale vernieuwers in de gemeenteraad. Eindelijk een onderwijskundig idee dat zij konden begrijpen. Wat zou het toch mooi zijn, als de auto-overlast en de parkeerproblemen in de Amsterdamse binnenstad konden worden opgelost door iedereen in het bokkewagentje van Wim-van-de-leesplank te laten rijden; als het mestprobleem kon worden opgelost door Gijs-de-knecht het land eens even flink te laten aanharken; als de omroepkwestie kon worden beslecht door een voorstelling van Teun met zijn aap en als het vraagstuk van de kernenergie uit de wereld kon worden geholpen met de vuurpot ("Vuur, vuur, rook en vuur, Wim is zoet, maar Zus kijkt zuur.")

Misschien is er iets te zeggen voor het idee, dat hoe ingewikkelder en omvangrijker een probleem is, hoe simpeler de oplossingen kunnen zijn. Maar het valt toch te vrezen dat de werkelijkheid iets anders in elkaar zit. Zowel in Nederland als in het buitenland, vooral in de Verenigde Staten, bestaat inmiddels een gigantische hoeveelheid literatuur over compensatie-programma's voor achterstandsgroepen. Alleen al de evaluatie van het onderwijsvoorrangsbeleid in Nederland vult boekenplanken. De maatschappelijke situatie van de kinderen met structurele achterstand op school, de gezinsfactoren, de efficiency van de lestijd, de leermethoden, het zijn allemaal onderwerpen waar al decennia wetenschappelijk onderzoek naar wordt gedaan. Dan is het toch op zijn minst genomen enigszins merkwaardig dat de gemeenteraad van Amsterdam op gezag van een gepensioneerde lerares die de schrik om het hart was geslagen, meent te weten dat de methode-Hoogeveen uit 1897 een deugdelijke oplossing zou kunnen bieden.

Misschien heeft de raad niet alleen uit nostalgie en simplisme gehandeld. Er valt namelijk, daarvoor hoeft men geen deskundige te zijn, wel iets te begrijpen van de kritiek op de tegenwoordig gangbare leermethode als het gaat om leesonderwijs aan allochtone kinderen. De meeste basisscholen gebruiken "Veilig leren lezen' waarbij wordt uitgegaan van het hele woord (aap, niet a-a-p). Deze methode heeft evidente nadelen voor kinderen die het begrip, het voorwerp, de naam, de omschrijving en soms zelfs de klank niet kennen. Het probleem, dat het nodig is eerst te weten wat een woord betekent alvorens te kunnen leren dit woord te lezen, wordt met behulp van "Veilig leren lezen' allerminst opgelost. Wie kinderen een plaatje van een roos laat zien met het woord "roos" erbij, gaat ervan uit dat de kinderen weten wat een roos is. Kennen zij het woord "roos' nog niet, dan lopen zij het risico elke bloem, bijvoorbeeld een paardebloem, vervolgens "roos' te noemen.

Het is dus helemaal niet zo'n gekke gedachte, dat de aloude letter-klank-methode voor kinderen met taalachterstand wel eens een beter resultaat kan opleveren. Vandaar, dat in het basisonderwijs als aanvulling wel degelijk druk gebruik wordt gemaakt van de zogeheten letterdoos, die dezelfde functie vervult als het vroegere leesplankje. Waarom zou de gemeenteraad een voorkeur hebben voor de ouderwetse leesplank boven de moderne letterdoos? En waarom zou de raad, als hij meer nadruk op de letter-klank-methode van belang acht, dan niet bevorderen dat er nieuw, mooi materiaal in het kader van deze methode beschikbaar komt? Als het gaat om begrijpen van woorden, is het toch eigenaardig om de kinderen uit de Pijp naar een negentiende-eeuws Hollands dorpje te verplaatsen, waar - zo blijkt uit de leerboekjes bij de methode Hoogeveen - de mensen zich wassen met behulp van een lampetkan. L-a-m-p-e-t-k-a-n. Wat zou dat voor ding zijn?

Mevrouw Driesen heeft opgemerkt, dat de plankjes en de bijbehorende boekjes misschien nog wel in een magazijn liggen. Anders is het materiaal wel te krijgen bij het onderwijsmuseum in Rotterdam, zegt ze optimistisch.

De lampetkan kan dan meteen uit een ander museum tevoorschijn worden gehaald, alsmede het bokkewagentje van Wim, de boe-ze-roen van Jet en de kiel van Gijs. De sociale vernieuwing kan nog een belangrijke bevordering van het museale beleid opleveren.