De katholieke nestgeur van Brabantse scholen

Th. G.A. Hoogbergen, Over geestdrift en bevlogenheid. 75 jaar Ons Middelbaar Onderwijs 1916 - 1991 Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg, 1991 ISBN 90 70641 36 4 Prijs: ƒ 80,- 506 pag.

Als aan het eind van de jaren vijftig in Deurne en Eersel de poorten van de katholieke HBS opengaan, betekent dat een belangrijke mijlpaal voor de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO): ieder Brabants kind kan nu binnen een straal van dertien kilometer katholiek middelbaar onderwijs volgen. Na de emancipatie van de katholieke burgerij in de steden is nu het platteland ontsloten en krijgt ook de agrarische bevolking de kans om haar kinderen naar het katholiek middelbaar onderwijs te sturen.

Het bisschoppelijk verbod om openbaar onderwijs te bezoeken leidde er uiteindelijk toe dat het middelbaar onderwijs in Brabant sneller dan elders in het land toegankelijk werd voor brede lagen van de bevolking. Het bisschoppelijk mandement uit 1868 werd tot veertig jaar geleden in Brabant algemeen aanvaard als de "grondwet van het katholiek onderwijs'. Dat katholieke kinderen naar katholieke scholen moesten, was boven iedere twijfel verheven.

De eerste twee scholen van de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs worden in 1916 gesticht in Berg op Zoom en Waalwijk. Schermutselingen met het openbaar middelbaar onderwijs blijven niet uit. Drie jaar later beschikt OMO over negen scholen op de Brabantse stedenrug en is ze uitgegroeid tot het grootste particuliere schoolbestuur van het land.

En dat is ze sindsdien gebleven. Met 46 scholen, ruim 38.000 leerlingen en circa 3700 personeelsleden viert OMO deze week haar 75-jarig bestaan. Behalve de opening van de jubileumweek - een plechtige eucharistieviering geleid door Mrg. Ernst, bisschop van Breda - verwijst weinig in het programma naar de katholieke wortels van de vereniging. De lezingen die het personeel morgen op vijf plaatsen in Brabant voorgeschoteld krijgt gaan over "Creativiteit in je werk en het privé-leven' of over "De arbeidsvreugde van de leraar in de klas en de relatie tot zijn leerlingen', en worden afgewisseld met profaan amusement.

Hoe katholiek de scholen van OMO nog zijn weet niemand precies: wat heet katholiek vandaag de dag? Vast staat wel dat de bisschoppelijke inspecteurs, de priester-moderatoren en de van overheidswege gefinancierde crusifixen eind jaren zestig in hoog tempo verdwenen. De katholieke signatuur leed aan ernstige ondervoeding, maar paradoxaal genoeg kon de "lege' katholieke school de aanwas van nieuwe leerlingen nauwelijks aan. Op de eerste plaats door de na-oorlogse geboortegolf in het toch al kinderrijke Brabant, maar ook omdat de OMO-scholen geacht werden door hun "katholieke nestgeur' het verlies van godsdienstige waarden in gezin en maatschappij te compenseren.

De invoering van de Mammoetwet kwam als een onderwijskundig geschenk uit de hemel, het was de "schaamlap der verlegenheid' waarmee scholen hun "ideologische naaktheid' konden bedekken. Na de religieus-morele drijfveren die het ontstaan van OMO rechtvaardigden, en de sociaal-culturele emancipatiegedachte die de vereniging groot maakte, breekt dan de derde episode aan, die van onderwijskundige bevlogenheid.

Deze indeling in drie episoden is van Theo Hoogbergen, die afgelopen vrijdag aan de Katholieke Universiteit Brabant promoveerde op het proefschrift "Over geestdrift en bevlogenheid. 75 jaar Ons Middelbaar Onderwijs'. Zijn promotie vormde de opmaat tot de jubileumfestiviteiten van de vereniging.

Hoogbergen was de eerste rector van de r.-k. HBS in Deurne en bleef dat nog jaren, ook toen de school allang Peellandcollege heette. Als man van de onderwijspraktijk, als (mede-)oprichter en redacteur van het verenigingsorgaan Omologie en als adviseur van de minister (ARVO II), maakte Hoogbergen de laatste veertig jaar zelf deel uit van de geschiedenis die hij in zijn dissertatie beschrijft.

Het is een lezenswaardige historie geworden, ook voor een niet-katholiek van boven de rivieren. Onderwijs is in ons land bij uitstek het terrein waar maatschappelijke emancipatie en religieus conservatisme hand in hand kunnen gaan en tot verassende resultaten kunnen leiden. Nergens heeft men zo hardnekkig gepoogd om meisjes buiten de schoolpoort te houden als in het katholieke Brabant, maar ook nergens maakte de MMS na de oorlog zo'n vliegende start, want met deze exclusief op de dochters van de burgerij gerichte onderwijsvorm kon op een aanvaardbare wijze uitvoering worden gegeven aan het bisschoppelijk verbod op coëducatie. De MMS was het "troetelkind' van de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs, stelt Hoogbergen vast. Overal werden nieuwe afdelingen gesticht, waardoor niet alleen meisjes uit de gegoede burgerij, maar uit alle lagen van de bevolking toegang kregen tot deze vorm van onderwijs.

Theo Hoogbergen plaatst de geschiedenis van het schoolbestuur OMO tegen de veelkleurige achtergrond van economisch ontwaken, kerkelijke bevoogding, emancipatorische verlangens, sociale bewogenheid en onderwijskundig élan. Het is daardoor niet alleen een interessant verhaal geworden over de vereniging en over invloedrijke mannen als voorzitter Moller en bisschoppelijk inspecteur Goossens, maar ook over het leven in Brabant, over het katholicisme en over de ontwikkelingen in het onderwijs.

In de beginjaren stichtte OMO weliswaar in korte tijd negen middelbare scholen, maar het ging de vereniging bepaald niet voor de wind. Om te beginnen is er een chronisch gebrek aan geld. Een tweede probleem is de werving van bekwame, maar vooral katholieke leerkrachten. De vereniging maakt het zichzelf niet makkelijk. Slechts in uiterste nood is het bestuur bereid "dames' te benoemen, leerkrachten die tevens aan een openbare school lesgeven worden niet geduld en van iedere nieuwe docent worden de religieuze antecedenten door de bisschoppelijk inspecteur grondig nagetrokken.

Een derde probleem waar de scholen van OMO mee kampen is het gebrek aan leerlingen. De geleerde stand en de gegoede burgerij - slechts een zeer kleine bovenlaag - zenden hun kinderen, al dan niet in internaatsverband, naar het gymnasium en de HBS. De middenstand is vooral op de MULO gericht en voor de grote groep van boeren en arbeiders is het middelbaar onderwijs nog helemaal een buiten hun vizier liggende mogelijkheid. Pas na 1945 zal hierin verandering komen, en dan breekt voor OMO de grote bloeiperiode aan.

Het best op dreef is Hoogbergen als hij schrijft over het reilen en zeilen van de scholen zelf. Over de belangrijke plaats van de priester-moderator die op de lekenscholen garant moet staan voor de godsdienstige en zedelijke opvoeding van de leerlingen. Op veel scholen blijkt de moderator uit te groeien tot een vertrouwensfiguur, een leerlingbegeleider avant-la-lettre. Over het verbod van gezamenlijk onderwijs van jongens en meisjes, waarin de zuidelijke bisschoppen tot ver na de Tweede Wereldoorlog volharden. Over de zorg voor handhaving van de zedelijkheid en de "katholieke geest' in de lessen. Bisschoppelijk inspecteur Goossens bezoekt jaarlijks alle scholen en doet minutieus verslag aan de bisschop. Of er in iedere klas een kruisbeeld hangt, wat een aardrijkskundeleraar zijn leerlingen over Rome vertelt (niet genoeg) en dat op een der scholen de deur tussen de jongens en de meisjesafdeling niet op slot bleek te zitten. Het is een overzichtelijke wereld waarin het katholieke Brabantse onderwijs zich bevindt: afgesloten naar de niet-confessionele omgeving, open voor de eigen kring. Iedereen kent de regels en slechts weinigen willen zich aan de vanzelfsprekende zekerheden van het katholieke bestaan onttrekken.

Maar dan begint aan het eind van de jaren zestig de katholieke signatuur van de scholen te verbleken. De roomse naamgeving verdwijnt, tijdens de godsdienstlessen wordt over maatschappelijke problemen als drugs en seksualiteit gesproken, en de moderatoren weten soms zelf niet meer of ze nog katholiek zijn. Een proces dat wordt versneld door de steeds dwingender eisen die vanuit Den Haag aan de structuur en de inhoud van het onderwijs worden gesteld.

In een laatste poging de katholieke identiteit vorm te geven wordt door OMO in 1970 het Katechese-project gestart, een nieuwe godsdienstcursus voor de oudste leerlingen van HAVO en VWO. Het project strandt uiteindelijk door heftige tegenstand uit conservatief-katholieke hoek. ""Een dodelijk gevaar voor de katholiciteit van de leerlingen die ermee worden geïndoctrineerd, omdat alle fundamentele geloofswaarheden van de Katholieke Kerk naar het rijk van legende, fabel, mythe en magie worden verwezen'', reageert de oud-testamenticus professor Van der Ploeg o.p., en ook uit Rome zijn dergelijke alarmerende reacties te vernemen.

Op den duur blijkt dat niet het gezag van de kerk de scholen van OMO nog bindt, maar hun gezamenlijke zorg voor kwalitatief hoogstaand onderwijs. Op overtuigende wijze beschrijft Hoogbergen hoe de "lege' katholieke scholen zich ontwikkelen tot onderwijsinstituten waar vernieuwing een kans krijgt en experimenten niet uit de weg worden gegaan. ""Er ontstaat een cultuur om het talent in iedere school te exploreren ten dienste van het geheel'', stelt Hoogbergen vast.

Een mooi jubileumgeschenk van een onderwijsman die "liefdevolle aandacht voor het didactisch detail' verre verkiest boven grote onderwijsinstituten met geoliede structuren.