DE HOEKSTEEN

M.J. Broese van Groenou: Gescheiden netwerken. RU Utrecht, 8 februari 1991. Promotores: Prof.dr. F. Tazelaar, Prof.dr. F.N. Stokman (233 blz) Frank van Balen: Een leven zonder kinderen. UvA, 24 mei 1991. Promotores: Prof.dr. W.C. Weeda, Dr. G.C.M. Trimbos Kemper (174 blz) Bram van Stolk: Eigenwaarde als groepsbelang. UvA, 6 september 1991. Promotores: Prof.dr. J. Goudsblom, Dr. A. van Dantzig (Bohn Scheltema Van Loghum, 226 blz)

De hoeksteen van de samenleving was ooit ook een van de hoekstenen van de Nederlandse sociologie. Tot in de jaren zeventig was gezinssociologie een populaire specialisatie. Onder de druk van de reorganisatie en de teruglopende studentenaantallen verdween het als vak of ging het op in bijvoorbeeld vrouwenstudies. Toch blijft er nog een stroom van onderzoek en publikaties zichtbaar, die met de oude gezinssociologie zoveel gemeen heeft dat je van een omgekeerde gezinssociologie zou kunnen spreken. Het gaat dan over gezinsbedreigende en het gezin onder druk zettende verschijnselen als echtscheiding, kinderloosheid, homoseksualiteit, incest en geweld. Allemaal onderwerpen die in de gezinssociologie van vroeger niet voorkwamen. Vandaag een paar proefschriften die daar over gaan en dat bovendien op een onderling heel verschillende manier doen.

"Gescheiden netwerken' is een onderzoek naar de relatie met vrienden en verwanten na echtscheiding. Het opbreken van een huwelijk gaat meestal ook gepaard met grote veranderingen in het vrienden- en familienetwerk van ieder van beide partners. Marjolein Broese van Groenou vond dat vergeleken met de periode voor de scheiding ruim een jaar na de scheiding tussen de 30 en 40% van de oude contacten verloren zijn gegaan, maar dat dit in ieder geval kwantitatief weer voor een belangrijk deel weer was goedgemaakt door nieuwe vrienden en kennissen. Gemiddeld krijgt men er 6 nieuwe contacten bij, maar in haar onderzoek onder bijna 140 gescheidenen varieerde dat van 0 tot 16. Wat zij wilde weten was, met wie de gescheidene na de scheiding wel of juist niet meer omgaat en waarom in sommige gevallen het contact minder intensief of zelfs verbroken wordt en in andere gevallen juist meer contact gezocht wordt.

De respondenten werd wel gevraagd met wie er nog wel of geen contact meer was, maar niet waarom dat zo was. Het antwoord op die vraag werd afgeleid uit de kenmerken van de relatie met de betrokkene: hoe lang kende men hem of haar al, was het eigen familie of schoonfamilie, deed men wel of geen dingen samen, was de ander van hetzelfde geslacht of hetzelfde sociale niveau of juist niet, zelf gescheiden of gelukkig getrouwd. De veronderstelling was dat mensen eigenlijk vrij rationeel kiezen als ze zich in een nieuwe sociale situatie bevinden en dus een rationele afweging maken over de kosten en de baten die met een bepaald contact verbonden zijn. Die veronderstelling kon tot op zekere hoogte wel bevestigd worden, althans - een voorbeeld - "de kans op nieuwe contacten in het netwerk is groter, naarmate men sociaal actief is, vlak na de scheiding een kleiner netwerk heeft, en daarbij meer mogelijkheden heeft om nieuwe contacten te leggen, in die zin dat de scheiding langer geleden is, en dat toegang tot een groter netwerk bestaat via lidmaatschap(pen) van één of meerdere verenigingen. Wanneer de gescheidene zich niet actief opstelt, krijgt hij-zij vooral nieuwe contacten als hij-zij over ruime financiële middelen kan beschikken'. Dat laatste ruikt naar klaploperij, maar het gaat gewoon om een significante correlatie en dus wordt die vermeld.

Ik haal deze conclusie zo uitvoerig aan, omdat hij zo typerend is voor het hele boek en ook de hele onderzoeksopzet. Dit onderzoek komt voort uit het ICS, het Interuniversitair Centrum voor Theorievorming en Methodenontwikkeling in de Sociologie, een zeer produktief Gronings-Utrechts samenwerkingsverband dat hoog aangeschreven staat in de wereld van het zuiver wetenschappelijk onderzoek. Het project van Marjolein Broese van Groenou is ook door NWO (de opvolger van ZWO) gefinancierd en het vertoont alle sterke en zwakke kenmerken van de door het ICS voorgestane en door NWO van harte gesteunde benadering. Methodisch is het onderzoek sterk. Er is veel aandacht besteed aan de opzet, de operationalisatie van de definities en de statistische analyse. Theoretisch is er ook heel consequent gewerkt. Er is gekozen voor een netwerk van goed op elkaar aansluitende theorieën, waaruit stap voor stap voorspellingen worden afgeleid, die weer stuk voor stuk getoetst worden.

Mooi gedaan en toch is het resultaat teleurstellend. "Gescheiden netwerken' bevat geen informatie die ook niet in een veel eenvoudiger beschrijvend onderzoek zou kunnen zijn verworven. Tegelijkertijd ontbreekt veel informatie, die uit zelfs het meest simpele beschrijvende onderzoek onvermijdelijk naar voren gekomen zou zijn.

De gewone feiten die Broese van Groenou over relaties na echtscheiding heeft verzameld, dragen zeker tot de kennis op dit gebied bij en vormen een bescheiden aanvulling op het eerder door bijvoorbeeld Iteke Weeda ("Voor en na echtscheiding') of Oosterbaan en Zeldenrust ("Gescheiden wegen') gedane echtscheidingsonderzoek. Wat de voorspellingen en verklaringen betreft - en daar gaat het hier om - blijkt de onderzoekster zich in een carrousel van metaforen en tautologieën te bevinden, waar ze ook zelf zo duizelig in lijkt te worden, dat er van nieuwe theorievorming uiteindelijk geen sprake meer kan zijn, laat staan dat ze ons nog iets interessants mee te delen heeft.

Een beetje minder methodologisch en theoretisch purisme en het wordt al meteen een stuk interessanter. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het psychologische onderzoek van Frank van Balen onder ruim 100 ongewild kinderloze echtparen. Net als echtscheiding is ongewilde kinderloosheid een probleem, dat maatschappelijk relevant en persoonlijk aansprekend is. Ruim 10% van de huwelijken blijft ongewild kinderloos en bij nog eens 10% van de echtparen is sprake van fertiliteitsproblemen. Traditioneel was er in de gezinssociologie veel belangstelling voor het probleem van de ongewenste zwangerschap, maar in Nederland zijn ongewenste zwangerschappen nauwelijks nog een probleem, ze komen nog maar weinig voor. Uitblijvende gewenste zwangerschappen des te meer. Meestal ontstaat pas echt ongerustheid, als na een of twee jaar proberen er nog steeds geen bevruchting heeft plaatsgehad. Vrijen wordt dan steeds minder leuk en wordt steeds afgestemd op de momenten dat de kans op bevruchting het grootst lijkt, en dan moet het ook. De jarenlange pogingen toch zwanger te worden, zetten het huwelijk ernstig onder druk en leiden ook tot veel echtscheidingen, maar de echtparen die bij elkaar blijven, ontwikkelen juist weer wel een zeer goede band met elkaar. Inmiddels is er wel een heel spectrum van behandelingsmogelijkheden beschikbaar gekomen, variërend van hormoonstimulatie en eileideroperaties tot in vitro fertilisatie en kunstmatige inseminatie, al dan niet met donorsperma. Tenslotte is er dan ook nog de mogelijkheid van adoptie, al blijkt dat maar door een betrekkelijk kleine groep echtparen als oplossing gekozen te worden.

Ongewenste kinderloosheid is in veel gevallen een angst die langzamerhand werkelijkheid wordt. Vooral voor vrouwen met een sterk "vrouwelijke' instelling is het iets afschuwelijks. Het uitblijven van een zwangerschap is ook voor mannen meestal een grote teleurstelling, maar ze kunnen zich er gemiddeld toch beter bij neerleggen dan vrouwen, die er emotioneel vaak erg door raken aangeslagen. Voor ongeveer een op de drie onvruchtbare vrouwen is de wetenschap geen kinderen te zullen krijgen het ergste dat hun ooit is overkomen en een op de vijf heeft er zelfs "alles' voor over om toch een kind te kunnen krijgen. Begrijpelijkerwijs verplaatsen veel echtparen na soms jaren onderzoek geleidelijk hun aandacht naar andere doelen in het leven: de verfraaiing van het huis, de intensivering van een hobby of de verzorging van een huisdier. Vrouwen pakken vaak een studie op en gaan ook weer (meer) werken, de verzorging van kinderen van anderen komt als alternatief maar weinig voor.

Over ongewilde kinderloosheid was eigenlijk nog niet zoveel bekend en Van Balen heeft het probleem gedetailleerd, goed en invoelbaar in kaart gebracht. De onderzoeksopzet is in wezen eenvoudig: interviews met ongewenst kinderloze echtparen die hulp hadden gezocht. Het gebruik van veel standaardinstrumenten maakte het mogelijk het beeld wat te objectiveren en de vergelijking tussen mannen en vrouwen leverde interessante seksespecifieke verschillen op.

Van Balen komt niet met een eigen theorie van de ongewilde kinderloosheid. Geen kinderen kunnen krijgen als je dat graag wil en de leeftijd er voor hebt, levert een ernstige vorm van stress op en daar moeten mensen iets mee. Niet voor iedereen is de stress even erg en niet iedereen kiest voor dezelfde aanpassingsstrategieën aan de nieuwe situatie. De conclusie is toch dat het welbevinden van ongewild kinderloze vrouwen gemiddeld duidelijk minder is dan voor Nederlandse vrouwen in het algemeen geldt.

Waarom is Van Balen's onderzoek nu interessanter en belangrijker dan dat van Broese van Groenou? Omdat hij van zijn onderwerp uitgaat - en niet van een algemene, sterk formele theorie - en omdat hij ruimte geeft aan zijn onderwerp op een manier, die het inzicht in de problematiek van de ongewild kinderlozen verhoogt en bovendien een goed beeld geeft van de verschillende fasen die echtparen in die situatie doorlopen en van de verschillende manieren waarop zij met de problematiek omgaan. We begrijpen beter wat het is ongewenst kinderloos te zijn en daarmee ook wat het gewicht is wat in de samenleving aan het krijgen van kinderen wordt toegekend.

Broese van Groenou reduceert de alledaagse belevingswereld van de betrokkenen tot een formeel geraamte van door haar gekozen variabelen, Van Balen brengt ook de alledaagse belevingswereld van betrokkenen systematisch in beeld.

Een stevige stap verder in de richting van een interpretatieve verdieping van het alledaagse zet Bram van Stolk in zijn proefschrift "Eigenwaarde als groepsbelang'. In deze reeks van grotendeels al eerder in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid gepubliceerde artikelen wordt bovendien ook de gezinssociologie nog eens geheel op de kop gezet. Van Stolk schrijft over de emancipatie van homoseksuelen, over vrouwen die hun gewelddadige mannen verlaten en over gewelddadige mannen die zonder hun vrouwen niets zijn, over gezinnen waarin de grenzen tussen de generaties verdwenen zijn en incest een gebruikelijke omgangsvorm is geworden, waar niet geheimzinnig over wordt gedaan. Het zijn empirische studies naar het sociaal marginale bestaan van een beperkt aantal uitvoerig geïnterviewde mensen. De verslaglegging is niet journalistiek - het gaat niet om de feiten op zich, hoe sensationeel en pikant soms ook - maar interpretatief. Er wordt niet verklaard in de zin van Broese van Groenou, maar verhelderd - en dat binnen een theoretisch kader, dat voor de betrokkenen zelf misschien niet direct herkenbaar of invoelbaar is, maar wel zin geeft aan gebeurtenissen en opvattingen die op het eerste gezicht vooral chaotisch, bizar of tegenstrijdig lijken te zijn. De verborgen logica van de ambiguïteit en ambivalentie, die tot de meest kenmerkende aspecten van het menselijk handelen, denken en voelen behoren, wordt door Van Stolk blootgelegd. Interessant is immers niet dat vrouwen die door hun man steeds weer geslagen worden, van hem weglopen. Interessant is dat zij dat vroeger vrijwel nooit deden en nu vaak toch pas na lange tijd, om bijna even vaak toch weer bij hem terug te komen. Raadsels die samenhangen en ook in samenhang moeten worden opgelost.

Het grote probleem van de interpretatieve sociologie is dat niet, zoals bij Broese van Groenou, de methode overtuigt, maar alleen het resultaat. Dat betekent niet dat in de interpretatieve sociologie alles maar vaag is of de empirie geen rol speelt, maar dat de kwaliteit van het resultaat afhankelijk is van de wijze van theoretisch bewerken en niet van statistisch verwerken van het materiaal.

In de interpretatieve sociologie, zoals die in Nederland nu een centrum heeft gevonden in het Postdoctoraal Instituut voor de Sociologie van de universiteiten van Amsterdam en Leiden, wil het resultaat nog weleens tegenvallen, omdat het niet lukt dieper te steken dan het niveau van de historisch sociologische beschrijving. Waar dat wel lukt, zoals bij Van Stolk, ontstaan nieuwe inzichten en worden nieuwe concepten ontwikkeld. Een literaire stijl maakt dan dat in dit geval niet alleen de inhoud, maar ook de vorm overtuigt. Jammer dat Amsterdam de Busken Huetprijs voor essays al heeft weggegeven.