De genocide van hoofdman Ante Pavelic en zijn Ustase op Serviërs

Bij de opening van de vredesconferentie over Joegoslavië in Den Haag wees president Milosevic van Servië op de genocide die Ante Pavelic en zijn ustase in de Tweede Wereldoorlog hebben bedreven tegen de Serviërs van Kroatië en Bosnië- Herzegovina. Buitenstaanders waren geschokt, maar voor Joegoslaven is het normaal. Een groot deel van de Servische publieke opinie stelt de Kroatische president Tudman gelijk aan Pavelic. Vele nette mensen vinden dat de genocide het geweld tegen Kroatië rechtvaardigt.

Vrede is moeilijk denkbaar zolang de genocide niet expliciet is verwerkt en van de politieke agenda is afgevoerd. Dan kan men de echte problemen weer opvatten, bijvoorbeeld de economie, die sinds de opkomst van Milosevic totaal uit de aandacht is verdwenen. Allereerst is duidelijkheid nodig over de historische feiten.

De hoofdlijnen staan vast. De genocide ging uit van de regering van ustase-hoofdman ("poglavnik') Ante Pavelic die in april 1941 in Zagreb door de bezettende mogendheden in het zadel werd gehesen en enkele jaren formeel een gebied bestuurde dat ruwweg overeenkomt met Kroatië en Bosnië-Herzegovina. Men deed twee dingen. Ten eerste werden er mensen afgevoerd naar kampen, waar ze omkwamen of werden omgebracht. Het grootste kamp lag bij Jasenovac, niet ver van tegenwoordige gevechtshaarden als Kostajnica en Okucani. Ten tweede werden er dorpen door gewapende mannen omsingeld, waarna de inwoners werden afgemaakt. De schaal waarop de beulen van Pavelic huishielden stelt alles in de schaduw wat de Balkan daarvoor of daarna heeft gezien. Alle moordenaars op wie het Tito-regime de hand kon leggen (een deel is ontkomen) zijn geëxecuteerd. Over veel is men het oneens. Zijn de Kroaten collectief schuldig in de zin waarin de Duitsers collectief schuldig worden geacht aan de moord op de joden? Is de rooms-katholieke kerk medeverantwoordelijk? Kan de zittende Kroatische regering op de genocide worden aangesproken? Hoeveel Serviërs zijn er vermoord?

Het Tito-regime voerde het probleem van de agenda af op basis van de volgende antwoorden:

de Kroaten hebben een eventuele collectieve schuld vereffend door hun bijdrage aan de vrijheidsstrijd: gevallen partizanen, onschuldige slachtoffers van Servische vergeldingsacties en dergelijke; de kerk van Rome heeft de genocide afgewezen, maar niet op een manier die veel uithaalde. Dorpspastoors en Franciscaner broeders droegen het hunne aan de slachtpartijen bij; de (in de Tito-tijd) zittende Kroatische regering is door een revolutie aan de macht gekomen en is daarom in morele zin niet als voortzetting van het bewind van Pavelic te beschouwen; de ustase hebben ongeveer zevenhonderdduizend Serviërs vermoord.

Al meteen vielen er gaten in deze oplossing, maar het Titoïstische monopolie op de waarheid over de oorlog maakte discussie onmogelijk. De genocide kwam in de taboesfeer terecht. Verwerking wordt bemoeilijkt door het primitieve rechtsgevoel van de meeste Joegoslaven. Op veel plaatsen van de Balkan leeft de bloedwraak nog of is pas recent verdwenen. Het rechtsgevoel dat ermee samengaat zit diep: men denkt snel in termen van collectieve schuld; ongefundeerde vermoedens volstaan om iemand een plicht tot bestraffen aan te praten; men maakt zichzelf griezelig makkelijk wijs dat geweld de enige ethisch toelaatbare uitweg uit een probleem biedt.

De als anti-Servisch gevoelde maatregelen van de regering Tudman stellen weinig voor, zeker vergeleken met het harde anti-Albanese beleid van Milosevic in Kosovo, een beleid waar weinig Serviërs moeite mee schijnen te hebben. De geweldige morele verontwaardiging over Tudmans speldeprikken is dus niet vrij van hypocrisie. Het zou weinig moeite hebben gekost de meningsverschillen in goed overleg uit de wereld te helpen, maar voor Serviërs was Tudmans tactloze geschutter voldoende bewijs. Met moordenaars praat je niet. Het traditionele rechtsgevoel verplicht in zo'n geval tot het gebruik van geweld.

Nu het Tito-regime is verdampt ligt alles weer open. Om te beginnen de collectieve schuld. De parallel tussen Duitsers en Kroaten blijkt slecht op te gaan:

terwijl de NSDAP bij verkiezingen nogal wat parlementszetels vergaarde, waren de ustase voor april 1941 een clubje marginale bommengooiers waar de bevolking niets van wilde weten; terwijl Hitler, eenmaal aan de macht, door zowat alle Duitsers gesteund werd, was Pavelic' gezag bij zijn eigen Kroaten wankel, naar blijkt uit berichten van Duitsers die in Zagreb werkzaam waren. Het feit dat er op Pavelic' leger (de "Domobrani') totaal geen staat viel te maken wijst in dezelfde richting.

Het gangbare idee dat de Kroaten collectief schuldig zijn, klopt niet met de feiten en heeft alle kenmerken van een gemakzuchtige nationale mythe. Daar komt bij dat de meeste mensen na 1930 geboren zijn en dus hoe dan ook niet kunnen worden aangesproken op de slachtingen, behalve via het rechtsgevoel van de bloedwraak. Het geval van de katholieke kerk ligt anders. De paus en de aartsbisschop van Zagreb hadden de lagere clerus kunnen verbieden het moorden te steunen en Pavelic kunnen excommuniceren. Ze hebben dat nagelaten. Een verwerking van de genocide is ondenkbaar zonder dat de kerk een overtuigend gebaar maakt. De paus zou iets kunnen bijdragen aan de vrede (waar hij de mond van vol heeft) door naar Jasenovac te komen en in het openbaar de Serviërs om vergiffenis te vragen, bij voorkeur op een manier die oprecht overkomt.

Wat Tudman betreft, het valt niet in te zien waarom hij en zijn democratisch gekozen regering zouden moeten opdraaien voor een genocide die een halve eeuw geleden is gepleegd door een zootje ongeregeld dat door twee louche bezettingsregiems in het zadel werd gehouden.

Ten slotte het aantal slachtoffers. De titoïstische waarheid houdt het op zevenhonderdduizend, dat wil zeggen vijfendertig procent van de twee miljoen Serviërs die in 1941 het onder Pavelic vallende gebied bewoonden. Officieuze schattingen lopen uiteen van dertigduizend tot anderhalf miljoen. De onzekerheid heeft allerlei oorzaken. De ustase administreerden hun moordwerk niet. Tot kort geleden was serieus onderzoek onmogelijk. In de Tito-tijd werd het totale aantal oorlogsslachtoffers geschat op 1,7 miljoen; dat is 0,7 miljoen te hoog en maakt dat groepen slachtoffers die niet goed zijn te tellen systematisch te hoog moeten worden geschat om goed uit te komen. Enzovoorts.

Omdat tellen dus onmogelijk is, moet worden teruggegrepen op schattingen aan de hand van demografische gegevens. De grondigste analyse op dat gebied is van de hand van Bogoljub Kocovic. Als Serviër, die in de oorlog zijn geboorteplaats Sarajevo moest ontvluchten om uit handen van de ustase te blijven, is hij niet geneigd de wandaden van Pavelic te verdoezelen, maar hij heeft een on-Joegoslavische afkeer van mythes en toont met kracht van argumenten aan dat de officiële cijfers niet kunnen kloppen. Zijn boek is kort geleden in Joegoslavië uitgekomen en trekt veel aandacht. Hij zegt dat de getroffen groep, de Serviërs van Bosnië-Herzegovina en Kroatië, bij het uitbreken van de oorlog 1,96 miljoen zielen telde en bij de volkstelling van 1948 1,68 miljoen in plaats van de 2,2 miljoen die je zou hebben verwacht bij voortzetting van de vooroorlogse trends, een verschil van een half miljoen. Met inachtneming van de negatieve geboortegolf en een groot negatief vestigingsoverschot (vooral migranten naar de Vojvodina) komt het aantal echte slachtoffers van de oorlogssituatie op 0,33 miljoen. Dit omvat alle doodsoorzaken: genocide, oorlogshandelingen, honger, tyfus en bijltjesdag.

Kocovic waagt zich in zijn boek niet aan een schatting van het aantal slachtoffers van de genocide. Maar om de gedachten te bepalen kunnen we de Serviërs stellen naast bevolkingsgroepen die onder vergelijkbare omstandigheden leefden zonder het doelwit van Pavelic' genocide te zijn. In Bosnië-Herzegovina is van de Serviërs 16,7 procent in de oorlog omgekomen, van de Kroaten 12,8 procent en van de islamitische bevolking 8,6 procent. De verschillen hangen ongetwijfeld samen met de genocide. Als het Kroatische cijfer maatgevend is voor wat er zonder genocide zou zijn gebeurd, dan is het aantal slachtoffers ongeveer vier procent, ongeveer tachtigduizend, maar omdat er in het Kroatische cijfer slachtoffers zitten van vergeldingsacties die er zonder de genocide niet zouden zijn geweest, is de kans groot dat het islamitische cijfer maatgevender is.

In dat geval is het aantal slachtoffers ongeveer acht procent van het totaal, 0,16 miljoen. Omdat er ook onder islamieten vergeldingsacties zijn geweest (er waren islamitische ustase), kan het werkelijke cijfer nog wat hoger liggen, bijvoorbeeld tien procent. Veel belangrijker dan al die getallen is dat het onzinnig en onzindelijk is de huidige Kroaten en hun incompetente regering een verantwoordelijkheid voor de genocide aan te wrijven. Het onzegbare leed van de slachtoffers en hun nabestaanden wordt door de regering van Servië misbruikt als wapen om serieus overleg over echte problemen (bijvoorbeeld invoering van een markteconomie) te saboteren.

Foto: Servische soldaten in het dorp Servas, tweehonderd kilometer ten noordwesten van Belgrado, in Kroatië. (Foto AP)