"Controle bij storten afval Coupépolder deugde niet'; Belangstelling van publiek vrij klein bij hoorzittingen

ALPHEN AAN DEN RIJN, 19 SEPT. Ambtenaren van het Rijk en de provincie Zuid-Holland hebben gisteravond de gemeente Alphen aan den Rijn beticht van ernstige nalatigheid bij het controleren van het storten van afval in de voormalige Coupépolder. Tegelijk verklaarden zij dat het ook van de kant van de provincie en het Rijk aan controle had ontbroken. “Het was geen gebruik dat de ene overheid de andere lastig viel”, zei A.G. Hug, die van 1976 tot 1980 als inspecteur bij het ministerie van volksgezondheid en milieuhygiëne werkte.

Hug werd gisteravond als een van de eersten gehoord door de commissie-Engwirda. Die commissie stelt een onderzoek in naar de rol van de gemeente in het gifschandaal-Coupépolder, waar in de jaren '70 en '80 illegaal grote hoeveelheden chemisch afval zijn gestort. De belangstelling van het Alphense publiek was gisteravond vrij klein.

Ambtenaar E.C. de Meijer van Provinciale Waterstaat bracht ter sprake hoe een akkoord tussen provincie en gemeente ertoe leidde dat de stortplaats dieper werd afgegraven dan de vergunning toestond. “Wij hoorden van het Provinciehuis in Den Haag: het is niet de bedoeling om de gemeente verder te controleren; ze doen het zelf wel”, aldus De Meijer. Op sommige plekken liet de gemeente zelfs tot vier en een halve meter diepte graven, terwijl slechts een meter was toegestaan wegens de hoge grondwaterstand.

J.L. Brand, ook van Provinciale Waterstaat, constateerde diverse overtredingen van de afvalstofwettenwet op de belt, onder andere in 1984 toen tegen de voorschriften in een vracht bleekaarde werd gestort. Brand: “De gemeente is toen gelast het storten te staken, maar dat is niet gebeurd. Namens Gedeputeerde Staten is aan de politie van Alphen gevraagd om hiervan proces verbaal op te maken, maar dat is niet doorgezet.” De getuige zei niet te weten waarom niet. Op de vraag van voorzitter Engwirda of de provincie misschien belang had bij het storten, moest Brand het antwoord schuldig blijven.

Een van de commissieleden, een raadslid van Groen Links, informeerde of het waar is dat de provincie Zuid-Holland de gemeente opdroeg een partij autoshredder (vermalen autowrakken) in de Coupépolder toe te laten. Brand: “De provincie zei: we moeten wel, anders komt het in de sloten terecht.” Ondanks dit consigne is het volgens Brand toch in sloten in de wijde omtrek van Alphen aangetroffen. De transporteur Kemp verkocht het afval aan boeren om er sloten mee te dempen.

Eerder had deze getuige gezegd: “Alphen aan den Rijn accepteert elke vracht zonder controle.” Gisteren voegde hij er aan toe: “Soms stond ik 's morgens om zeven uur bij de Coupépolder en dan reden de containerwagens al langs. Er werd van alles gestort, dus niet alleen puin, wat toegestaan was, maar ook piepschuim en plastic. De stortbaas keek door het raam van zijn keet precies de andere kant op; hij wilde er niet eens uitkomen. Er werd zelfs in het water gestort. De mensen op de belt waren altijd zeer voorkomend tegen mij. Ik hoorde steeds: u hebt gelijk, meneer Brand, maar als ik wegging had ik vaak het gevoel dat ik was belazerd. Het was daar een behoorlijke puinhoop. Het leek er veel op dat de Coupépolder voor de sluiting in 1985 nog even werd volgeplempt.”

Getuige Hug van het ministerie van volksgezondheid en milieuhygiëne plaatste de Coupépolder wat betreft gemeentelijke controle onder de middenmoot: “Er waren meer belten met gaten in de omheining.” Als excuus voerde hij aan dat vuilnisbelten in die tijd - eind jaren zeventig - nog niet erkend waren als ernstige milieuproblemen. “Eigenlijk deugde het stortbeleid nergens. Ook bij de inspectie is de zaak onderschat. Pas na Lekkerkerk kregen de vuilnisbelten hogere prioriteit.”

Ingenieur M.A. Heinsdijk van het Hoogheemraadschap Rijnland zei dat hij in begin 1980 al wegens ernstige vervuiling van het slootwater bij de belt aan de bel had getrokken, maar “de gemeente probeerde ons steeds opnieuw met toezeggingen om er iets aan de te doen stil te houden”. Volgens Heinsdijk is het gevaar nog lang niet geweken, ook nu er maatregelen worden getroffen om de belt van haar omgeving af te schermen. “Onze zorg is dat de belt nog verder gaat lekken in de toekomst”, aldus Heinsdijk.

De strafzaak in hoger beroep tegen afvaltransporteur Kemp, die door de rechtbank wegens het illegaal storten op onder meer de Coupépolder tot vier en een half jaar werd veroordeeld, staat voor 13 november op de rol van het gerechtshof in Den Haag. Kemps advocate mr. Y. van Boxtel heeft echter om uitstel gevraagd omdat volgens haar eerst het onderzoek van de commissie-Engwirda moet worden afgerond. Die commissie zal naar verwachting uiterlijk in december van dit jaar haar eindrapport aan de gemeenteraad uitbrengen.