Van der Ploeg heeft vervuilers niet nodig

ROTTERDAM, 18 SEPT. De verschuiving die het kabinet wil aanbrengen van belasting op arbeid naar belasting op milieuvervuilende activiteiten, is een goede zaak. Uit oogpunt van milieu is het helemaal niet erg dat een aantal zware industrieën, die hebben gedreigd in geval van een stijgende energieheffing in het buitenland te zullen investeren, inderdaad naar het buitenland vertrekken of naar de knoppen gaan. Nederland moet zich meer richten op kennis-intensieve industrieën.

De Tilburgse econoom prof.dr. F. van der Ploeg zei dit vanochtend in Tilburg tijdens het traditionele universitaire debat "Na de troonrede', waaraan ook prof.dr. W. Albeda (hoogleraar te Utrecht) en KNOV-voorzitter (tevens lid van de SER) J. Kamminga deelnamen.

Van der Ploeg reageerde op de brief die zeven multinationals - Shell Nederland, Hoechst Holland, Dow Benelux, DSM, Hoogovens, Akzo en KNP - maandag aan het kabinet en de Tweede Kamer hebben gestuurd. Daarin worden de plannen voor verdubbeling van energiebelasting in het kader van de wet algemene bepalingen milieuhygiëne (WABM) onaanvaardbaar genoemd. De opbrengst van de belasting zou van 926 miljoen gulden in 1991, via 1,54 miljard gulden in 1992 moeten oplopen tot 2,2 miljard gulden in 1994.

“De vervuiler moet betalen; niet de energiegebruiker”, stelde KNOV-voorzitter Kamminga tegenover de provocerende opmerkingen van Van der Ploeg. Diens uitspraken betitelde Kamminga als “volstrekte onzin”. Hetgeen Van der Ploeg voorstelt “is aan de verkeerde kant beginnen. Het zou 100.000 banen kosten en bovendien niks oplossen. De ozonlaag wordt ook buiten Nederland aangetast”, aldus Kamminga.

Ook prof. Albeda - oud-minister van sociale zaken - stelde zich liever “iets aarzelender” op dan Van der Ploeg. “Als de grote bedrijven verdwijnen, levert dat de gewenste energieheffing ook niet op. Bovendien, is de vraag of we die grote bedrijven wel kunnen missen met het oog op economische groei”

Het antwoord van Van der Ploeg was kort: “De vraag is of je de komende jaren nog wel groei wilt in vervuilende industrietakken”.

Alle drie sprekers waren het erover eens dat het kabinet met een gewenste loonstijging van tussen 3 en 3,75 procent veel te optimistisch inzet, gelet op wat tussen sociale partners kan worden afgesproken. “Het is de vraag of dat een haalbare kaart is”, aldus prof. Albeda.

Op een bijeenkomst in Leeuwarden herhaalde directeur prf drs G. Zalm van het Centraal Planbureau (CPB) vanochtend het al eerder door het kabinet geventileerde standpunt dat de sociale partners zich geen inflatie moeten laten aanpraten. “De stijging van de prijsindex voor de gezinsconsumptie heeft geen directe betekenis voor de koopkracht”, aldus Zalm en dat CBS-cijfer moet dan ook niet als maatstaf worden gehanteerd. Daarvoor in de plaats zou de "geschoonde' prijsindex moet worden aangehouden, die wordt gebruikt bij de automatische prijscompensatie in de meeste CAO's. De stijging van deze index blijft dit jaar beperkt tot 3 procent en volgend jaar tot 2,75 procent.