Overheid legt groot beslag op groei reële inkomen

DEN HAAG, 18 SEPT. Van iedere extra gulden die in Nederland wordt verdiend, gaat dit jaar 85 cent naar de overheid. Ook volgend jaar blijft voor burgers en bedrijven van iedere extra gulden slechts 15 cent over, zo hebben de economische adviseurs van het kabinet berekend.

“Er is minder extra inkomen te verdelen. Dat merken werknemers, werkgevers, uitkeringsontvangers en de overheid”, zei prof.dr. A.H.E.M. Wellink, directeur van De Nederlandsche Bank, onlangs. Maar de overheid zit in een luxe positie. Via lastenverhoging kan zij afdwingen dat een relatief groot deel van de koek haar richting uitgaat. “In 1991-1992 eigent zij zich ruim viervijfde deel van de groei van het reële inkomen toe, aanzienlijk meer dan spoort met haar evenredige deel”, aldus Wellink.

Het kabinet Lubbers-Kok zwoegt met tegenwind tegen de hellingen van de bergen waarachter het beloofde land verscholen ligt. In 1992, het derde kabinetsjaar dat volgens politieke tradities het "oogstjaar' behoort te zijn, wacht een zware klim. De collectieve lasten lopen op en de afdaling naar het einddoel van een gesaneerde, gezonde Nederlandse overheidshuishouding schuift steeds verder achter de horizon.

In de slipstream van Duitsland zal de Nederlandse economische groei volgend jaar afzwakken. Daardoor valt er minder te verdelen, terwijl er toch al zoveel pijn moet worden uitgesmeerd. Het kabinet heeft niettemin gekozen voor een hoog verzet: alle middelen worden ingezet voor vermindering van het financieringstekort, ook al betekent dat lastenverzwaringen voor de samenleving.

Het kan ook anders worden gezegd: bijna de hele toename van het Nederlandse bruto nationale produkt, die magere groei van 2 procent dit jaar en 1,5 procent in 1992, gaat naar de overheid.

“Wie kiest voor de toekomst, ontkomt niet aan scherpe keuzes”, zei minister Kok (financiën) vorige week bij zijn toelichting op de Miljoenennota. Hij sprak als de marathonloper die nog ver te gaan heeft en en passant nam hij afscheid van een van de traditionele economische leerstukken van de sociaal-democratie. De erfenis van Lord Keynes, een actief begrotingsbeleid om de economische conjunctuur te beïnvloeden, heeft ook voor de PvdA-leider afgedaan.

Pag 16:

Lastendruk valt buiten telraam politiek

Kok was bij de toelichting op de Miljoenennota resoluut: het financieringstekort zal, ondanks de vlakke economische ontwikkeling, ook in 1992 met een half procentpunt worden verminderd, want “als je een halve vinger toegeeft, ben je direct een hele arm kwijt.”

Het gevolg is, erkende hij, dat er ingeleverd moet worden na enkele jaren van - soms fors - toegenomen koopkracht. “Het is onmogeljk om te bezuinigen zonder effecten op de samenleving. Vermindering van het tekort kan niet zonder dat de burgers er iets van merken”, aldus Kok. En hij haalde uit naar de economische deskundigen die wel van mening zijn dat de regering de bezem moet halen door subsidies, maar die klagen zodra de rekening daarvan gepresenteerd wordt.

Sanering van de overheidsfinanciën, aldus Kok, drukt het niveau van de binnenlandse bestedingen - en daaraan is helaas niets te doen. Het gevolg is dat de Nederlandse economie, nog meer dan in het verleden, leunt op de kracht van de exportsector, terwijl de binnenlandse sector steeds verder achterblijft bij de rest van Europa.

In een recent, vertrouwelijk rapport van de Europese Commissie over de EG-landen wordt voor Nederland vastgesteld dat hogere belastingen en sociale premies, toenemende inflatie en lagere groei van de werkgelegenheid in 1991 en 1992 zullen leiden tot een daling van de particuliere consumptie en intering op besparingen. “Het Nederlandse internationale visitekaartje is niet gunstig in 1992”, zegt een economische deskundige.

Ongunstige factoren zijn dat de collectieve lastendruk en het beslag van de overheid op de nationale economie toenemen. Beide daalden in de tweede helft van de jaren tachtig, maar stijgen weer in 1991 en 1992. De burgers merken ook in hun dagelijkse kasboekje dat ze harder worden aangeslagen. “Als mensen het gevoel hebben dat de lastendruk stijgt, klopt dat”, zegt deze deskundige die de cijfers achter de Miljoenennota kent.

Het kabinet heeft een aantal lastenverhogingen doorgevoerd per 1 juli en er volgen er nog meer. De sociale premies gaan voor werknemers omhoog - vakbonden accepteren nu eenmaal liever premieverhogingen dan een ingreep in de uitkeringen. De verwachte bezuinigingen als gevolg van de kabinetsplannen met de arbeidsongeschiktheid en Ziektewet doen zich pas tegen 1994 voor. De terugdringing van de uit de hand gelopen welvaartsstaat gaat vooralsnog met lastenverhoging gepaard.

Daarnaast doet het kabinet onder het motto "werk boven inkomen' een beroep op loonmatiging. Werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt aantrekkelijker gemaakt door verhoging van het "arbeidskostenforfait', de belastingpremie die iedereen in Nederland krijgt als hij of zij een reguliere baan heeft. Dat vergroot het verschil met niet-werkenden. Toch zegt prof.drs. J. Weitenberg, directeur van de Christelijke werkgeversorganisatie NCW: “Het kabinet is te veel gefixeerd op inkomenspolitiek en heeft te weinig aandacht voor groei en werkgelegenheid door lastenverlichting.”

De verzachtende maatregelen die genomen zijn om het koopkrachtverlies te beperken bij de loslating van de koppeling kosten geld en ter financiering wordt de inflatiecorrectie bij de inkomstenbelasting volgend jaar opgeschort. “Onzorgvuldig. Slecht”, meent Weitenberg over deze nivelleringsmaatregel die de midden- en hogere inkomens treft. Volgens drs. M.M.J. Vergeer, medewerker van het Centraal Planbureau, komt dit - afhankelijk van de inflatie en andere inkomensfactoren - volgend jaar neer op een feitelijke belastingverhoging van ongeveer drie procent voor de helft van alle werkenden.

De opschorting van de inflatiecorrectie was een oud plan van CDA-minister De Vries, later omarmd door de PvdA. Ondertussen komen bij het CDA-partijkantoor, aldus een prominent CDA-politicus, meer klachten binnen over de opschorting van de inflatiecorrectie dan over de ingreep in de WAO.

Het regeerakkoord van 1989 was vol optimisme en in de Miljoenennota van 1991 was sprake van uitstel van bezorgdheid. Het kabinet Lubbers-Kok was immers begonnen in de veronderstelling dat het grote ombuigen voorbij was en dat er weer een paar leuke dingen gedaan konden worden - sociale vernieuwing, milieu en herstel van de koppeling - terwijl tegelijkertijd het financieringstekort verminderd kon worden en de collectieve lastendruk gestabiliseerd kon blijven.

Maar in de loop van 1990 begonnen de tegenslagen zich op te stapelen. De Duitse eenwording en de Golfcrisis joegen de rente omhoog. Nederland, als gevolg van zijn enorme staatsschuld (318 miljard gulden eind 1990 voor de rijksoverheid, 394 miljard voor de hele overheid) extreem rentegevoelig, zag de post rentelasten toenemen: twee miljard gulden extra in 1992 en vijf miljard extra in 1994.

Ook andere tegenvallers dienden zich aan. De belastinginkomsten bleven achter bij de ramingen en aan de EG moesten hogere bedragen worden afgestaan. Opmerkelijk was dat tegenover de overdrachten aan Brussel geen bezuinigingen op de Nederlandse ministeries stonden. Aan de uitgavenkant kostte het nieuwe beleid extra geld.

President Duisenberg van De Nederlandsche Bank waarschuwde herfst vorig jaar dat een tekort van ten minste vijftien miljard gulden in 1994 dreigde. Den Haag reageerde aanvankelijk schouderophalend ("Als de bladeren vallen, komt Duisenberg weer langs', schamperde Lubbers), maar werd snel wakker. Met voortvarendheid werd een ombuigingspakket samengesteld, de Tussenbalans. Het was een ingreep van een hardheid zoals sinds het begin van het kabinet Lubbers I niet meer had plaats gehad. Met een combinatie van 12,5 miljard gulden aan bezuinigingen en 4,5 miljard gulden aan lastenverzwaringen - in de zomer met nog meer maatregelen aangevuld - werd de vermindering van het financieringstekort op schema gehouden. Dat is, met alle politieke en economische tegenwind, een prestatie.

Maar voor de burgers en bedrijven betekende het een breuk met het beleid van lastenverlichtingen uit de late jaren tachtig. Het kabinet heeft per 1 juli de huren opgetrokken en het huurwaardeforfait voor huiseigenaren verhoogd. Het openbare vervoer is duurder geworden, de reiskostenvergoedingen zijn aangepakt en de benzine ging een kwartje omhoog. Minister Ritzen wil het schoolgeld met 300 gulden verhogen - en zo gaat het maar door. Minder zichtbaar voor de landelijke politiek is dat gemeenten eveneens bezig zijn om tarieven en belastingen te verhogen. Dergelijke lokale verhogingen vallen buiten het nationale telraam, maar niet buiten het waarnemingsvermogen van de belaste burgers.

Voor een aantal lastenverzwaringen bestaan goede gronden, omdat ze financiële prikkels introduceren waar nodig is (zoals in verband met het milieu) of overheidssubsidies verminderen die de werkelijke kosten verhullen (zoals bij het openbaar vervoer en huisvesting). Maar tegenover deze hogere lasten - die voor de overheid een bezuiniging op de uitgaven betekenen - had eigenlijk een verlaging op andere terreinen moeten staan. Per saldo is de overheid immers minder geld kwijt en dat voordeel behoort zij aan de samenleving terug te geven.

Een verlaging van het hoge BTW-tarief van 18,5 naar 17 procent springt in het oog; het geld daarvoor was al gereserveerd maar is in de Tussenbalans verdwenen. Minister Kok wilde van een BTW-verlaging niet weten: het geld was nodig om het financieringstekort te verminderen, zei hij vorige week.

Toch is het kabinet van veel kanten aangeraden om bij de ombuigingen grotere nadruk te leggen op bezuinigingen en minder op lastenverhogingen. De CEC, de invloedrijke Centrale economische commissie van topambtenaren, had daarvoor bij de Tussenbalans al een pleidooi gehouden, maar dit bleek gezien de samenstelling van de coalitie politiek onhaalbaar. Ook Piet Vos, de dwars denkende econoom van de Industriebond FNV, schreef in het economenblad ESB dat bezuinigen wenselijker is dan lastenverhoging.

En in het commentaar van de Raad van State op de Miljoenennota komt hetzelfde thema terug. “De Raad moet overigens constateren dat een niet onaanzienlijk deel van de beoogde ombuigingen niet wordt verkregen via uitgavenbeperkingen, maar door verhoging van de inkomsten, dat wil zeggen door belasting aan de particuliere sector.” Om in hetzelfde strenge proza te vervolgen: “De Raad merkt op dat de invoering van lastenverzwaringen voor de burger veel sneller blijkt te gaan dan de realisering van de voorgenomen bezuinigingen.”

Ook directeur Wellink van De Nederlandsche Bank had liever gezien dat de overheid de begrotingsproblemen bij de Tussenbalans helemaal had opgelost met ombuigingen op de uitgaven. “Lastenverhogingen zonder verlagingen op andere terreinen geven een impuls aan de inflatie”, aldus Wellink. De hogere inflatiecijfers van de afgelopen maanden zijn een direct gevolg van het gekozen overheidsbeleid - zoals trouwens ook minister Kok erkende.

Hogere inflatie roept hogere looneisen op. Maar, zo verklaarden alle betrokkenen bij het Haagse sociaal-economische establishment, dat moet voorkomen worden. Ook al zal dat pijn doen “in een periode waarin de prijzen oplopen en de groei vertraagt - zeker als de overheid tegelijkertijd lastenverzwaringen wil doorvoeren”, zoals Wellink zei. Met andere woorden: in een afvlakkende economie is er minder ruimte te verdelen en moeten hogere lasten niet worden afgewenteld via de CAO's. Het onvermijdelijke verlies van koopkracht zal moeten worden geïncasseerd.

Dat is een pijnlijke boodschap die geen enkele regering graag wil brengen. Rekening houdend met alle fiscale maatregelen van het kabinet is het Centraal Planbureau in zijn Macro Economische Verkenningen nog net uitgekomen “op een heel mager plusje” voor de koopkracht in 1992, zoals CPB-medewerker Vergeer het formuleert. Deze verwachtingen van het CPB worden niet overal gedeeld. Een bankier in Amsterdam, iets verder van de Haagse politieke druk die een minteken bij de modale koopkracht moeilijk aanvaardbaar maakt, spreekt onomwonden van “onvoldoende ruimte in 1991 en 1992 om de koopkracht op peil te houden”. En veel burgers die hun maandelijkse bankafschriften in de gaten houden, hebben de perceptie dat de overheid steeds hogere rekeningen te vereffenen heeft.

Een aantal kosten die de overheid afschuift, zoals de hogere onderwijsbijdrage, valt niet onder de definitie van de collectieve lastendruk. Zelfs zonder rekening te houden met deze extra kosten voor de burgers nemen de collectieve lasten toe. Ze blijven nog net binnen de marges die het kabinet zelf gesteld heeft, dat wel, maar daarbij is sprake van ingenieus rekenen. In het regeerakkoord werd uitgegaan van de raming van 1989 voor de collectieve lastendruk in 1990. Die raming bedroeg 53,6 procent van het netto nationale inkomen en afgesproken werd dat de collectieve lastendruk, het totaal van premies en belastingen, daar in deze kabinetsperiode niet boven mocht komen.

In werkelijkheid bedroeg de collectieve lastendruk in 1990 52,2 procent en vergeleken met dat percentage is wel degelijk sprake van een stijging: dit jaar 53 procent en volgend jaar 53,4 procent. Volgens NCW-directeur Weitenberg is iedere poging om dat te verdoezelen “òf schoonpraterij òf boerenbedrog”. Zoals Wellink waarschuwde: “De collectieve lastendruk is al erg hoog, zelfs volgens de ruime interpretatie van de kabinetsdoelstellingen is de grens zo goed als bereikt.”

Een financiële deskundige is van mening dat de collectieve lastendruk “in 1994 in ieder geval hoger zal zijn dan in 1990”. Deze opvatting strookt niet met de officiële verwachtingen van de regering: uit de Miljoenennota blijkt dat de regering hoopt de collectieve lastendruk in 1994 terug te brengen tot 51,9 procent dank zij verlaging van de premies als de beperkingen op de WAO-Ziektewet resultaat beginnen af te werpen.

Het komende jaar blijft het traject bergopwaarts en gaat het kabinet Lubbers-Kok 1992 tegemoet met hogere lasten en met een belofte van een heel klein beetje koopkrachtverbetering die de meeste mensen na Prinsjesdag weer zullen vergeten omdat deze niet strookt met de dagelijkse waarnemingen.