Koperstad in Tembagapura is goudmijn

TIMIKA (IRIAN JAYA), 18 SEPT. De Fokker-28 van Merpati Air, onderweg van Jayapura naar Biak en Bali, landt moeiteloos op de fraaie baan van Timika, een plaatsje in het zuiden van Irian Jaya. Twee vakantiegangers aan boord vragen zich hardop af waarom ik hier in godsnaam uitstap. Op het vliegveld heerst een robuste no nonsense-sfeer. Taxi's zijn er niet. De aankomende passagiers stappen in bemodderde Chevrolets met nummer op de portieren en zware Mack-bussen met vierwielaandrijving. In de controlepost bij de uitgang zit geen politie, maar bedrijfsbewaking met op de witte helmen: Freeport Indonesia Incorporated.

Voor een goed begrip: het vliegveld van Timika is geen "vrijhaven'. Hier komt en gaat het luchtverkeer voor een van de grootste mijnbouwoperaties ter wereld. Honderd kilometer naar het noorden, op tweeënhalfduizend meter hoogte, ligt Tembagapura, "koperstad'. Daar graaft de Amerikaanse onderneming Freeport de Ertsberg af op zoek naar koper, zilver en goud. Dat maakt het vliegveld tot een strategische plek, waar de bedrijfsvoorschriften van Freeport wet zijn. In het politiebureau van Timika verwijst men reizigers met bestemming Tembagapura naar de veiligheidsdienst van Freeport.

Over de half verharde wegen van Timika rolt materieel waarvan de afmetingen monsterachtig aandoen tussen de bescheiden houten huizen en de Papoea-kindertjes die spelen op het erf. Langs de bosrand kruipen reusachtige graafmachines op rupsbanden, die vrachtwagens volladen met grind. Twee Australiërs in korte broek, de pocket-camera's losjes aan de polsen, wandelen 's middags door het stadje, vergeefs op zoek naar vertier. Zij werken voor de Australische aannemer Petrosea. 's Nachts, als er geen vluchten zijn, maken zij het vliegveld van Timika toegankelijk voor Boeings. Het werk moet in de loop van 1992 gereed zijn, want dan verwacht Freeport zijn operatie in Irian Jaya drastisch uit te breiden.

Eind vorige week arriveerde niemand minder dan Henry Kissinger in Jakarta. Kissinger is onder meer lid van de raad van commissarissen van Freeport McMoran, de in New Orleans zetelende moedermaatschappij van Freeport Indonesia Incorporated (FII). Afgelopen vrijdag bracht hij een “beleefdheidsbezoek” aan de voorzitter van het Indonesische parlement. Het tijdstip van zijn visite is goed gekozen, want binnenkort moeten de parlementsleden besluiten over verlenging van Freeports concessie.

Op 7 april 1967, twee jaar voordat een select groepje Papoea's bij “vrije wilsbeschikking” koos voor aansluiting bij Indonesië, sloot Freeport alvast een mooi contract met Jakarta. In de westelijke uitlopers van de Jayawijaya-bergen (in de Nederlandse tijd bekend als het Centrale Bergland) kreeg het bedrijf een concessie van 10.000 hectare, waar het kopererts mocht winnen. Freeport begon zijn operatie tegen de hellingen van de Ertsberg, waar het een hypermoderne mijnstad bouwde: Tembagapura. In 1972 werd de eerste lading koperconcentraat verscheept via de haven Amamapare. Volgens de beschikbare gegevens produceert de mijn momenteel 36.000 ton kopererts per dag waarvan 40 procent koperconcentraat, 360 kilo zilver (100 gram per ton) en 51 kilo goud (15 gram per ton).

Het contract van 1967 loopt volgend jaar af. In juni sloot het Indonesische ministerie van mijnbouw en energie met FII een ontwerpovereenkomst, op grond waarvan de bestaande concessie niet alleen met dertig jaar wordt verlengd, maar het concessiegebied wordt uitgebreid van de huidige 10.000 hectare tot liefst 2,5 miljoen hectare. De regering verbindt aan dit supercontract de voorwaarde dat FII wordt omgevormd tot een gewone NV die volledig belastingplichtig is volgens de Indonesische wet, en dat het bedrijf in Indonesië een kopersmelterij bouwt. Die laatste voorwaarde stuit bij Freeport op bedenkingen, omdat FII's Japanse afnemers alleen koperconcentraat kopen. Het contract treedt pas in werking als het Indonesische parlement en president Soeharto zelf er hun goedkeuring aan hechten.

Eind augustus kwam Freeport onverwacht in het nieuws door een artikeltje in de Jakarta Post. Volgens een niet bij naam genoemde medewerker van Pertamina, de staatsoliemaatschappij van Indonesië, zou het Amerikaanse bedrijf in 1990 9.221 ton goud en 69.978 ton zilver hebben geëxporteerd naar Japan, de Filippijnen, Zuid-Korea, Bulgarije en de Verenigde Staten. Dat is duizenden malen meer dan uit de beschikbare produktiecijfers blijkt. Het hoofd van de afdeling Irian Jaya van het ministerie van handel, S.H. Pandjaitan, toonde zich hoogst verbaasd over deze exportactiviteiten van Freeport. Hij beweert dat zijn dienst alleen op de hoogte wordt gehouden van de hoeveelheden verscheept koperconcentraat.

Als ik de gouverneur van Irian Jaya, Barnabas Suebu, deze opmerkelijke cijfers voorleg, zegt hij lachend: “Ja, dat heb ik ook in de krant gelezen. Toen ik Hoediono Hoed, de president-direkteur van FII, hier naar vroeg, gaf hij toe dat het in Irian gewonnen kopererts het hoogste goudgehalte ter wereld heeft. Maar de controle van Freeports uitvoer is een aangelegenheid van het ministerie van mijnbouw en energie in Jakarta. Wij krijgen alleen inzage in de resultaten van deze controles. Op basis daarvan wordt het provinciale aandeel in de royalty's vastgesteld. Hopelijk doen ze hun werk goed in Jakarta.” Suebu lacht opnieuw.

Freeport is trots op zijn activiteiten in Irian Jaya. Tembagapura en de mijn gaan in de branche door voor een modelproject. Het stadje, gelegen in een kom waar het hele jaar door een gestage druilregen valt, telt zo'n 8.000 inwoners, waarvan 7.400 werknemers van Freeport. De rest zijn leden van het Amungme-volk, die op aandringen van het bedrijf hun woonsteden in de naburige Waa-vallei hebben verlaten en hun intrek hebben genomen in bescheiden hutten aan de rand van Tembagapura. Hun onderkomens steken schril af bij de luxe voorzieningen voor de buitenlandse stafleden en zelfs bij de eenvoudige maar comfortabele slaapzalen van de mijnwerkers. Tembagapura heeft alles: scholen, tennisbanen, sportzalen, een voetbalveld, luxe restaurants en bars. Boven Tembagapura torent de met eeuwige sneeuw bedekte Carstensz Piek, met 5.000 meter de hoogste top tussen de Andes en de Himalaya.

Van de stad naar de mijn loopt een spectaculaire weg die aan het eind van de jaren zestig is aangelegd door een Amerikaanse aannemer. Over een afstand van tien kilometer overbrugt hij een hoogteverschil van ruim duizend meter, via een 900 meter-lange tunnel. De mijn zelf is de perfecte locatie voor een James Bond film. Hier loopt de langste kabelbaan ter wereld die het erts door de wolken en over 500 meter-diepe watervallen naar - opnieuw - de hoogst gelegen raffinaderij op aarde brengt. Daar wordt het erts vermalen tot een fijn poeder, waaruit het concentraat gewonnen wordt, dat in vloeibare vorm in een pijplijn van 120 kilometer lengte verdwijnt om aan de kust, in Amamapare, te worden gedroogd en verscheept.

Onnodig te zeggen dat Tembagapura een kapitaalsintensief project is; slechts 13 procent van de bedrijfskosten bestaat uit lonen. Van de 7.400 werknemers komt drie kwart uit Indonesië, maar slechts 13 procent uit Irian Jaya. De laatsten doen hoofdzakelijk het zware ongeschoolde werk op grote hoogte, in temperaturen rond het vriespunt. De Filippijnse arbeiders werken vooral onder de grond. Het Indonesische ministerie van mijnbouw en energie wil hun aantal verminderen en geeft momenteel cursussen in ondergrondse ertswinning voor Indonesische mijnwerkers. De laagste lonen in Tembagapura bedragen 5.000 rupiah per dag. Dat is twee maal zoveel als het minimumloon op Java, maar het leven in de mijnstad, waar alle voedsel moet worden aangevoerd, is duur.

Behalve het handjevol ongeschoolde arbeiders is de lokale Papoeabevolking tot nu toe weinig opgeschoten met Freeports activiteiten. Het bedrijf heeft nooit veel oog gehad voor de traditionele grondrechten van de autochtonen. Nog in mei dit jaar walste een bulldozer van Freeport over de groentetuinen van een Amungme-familie om grond te egaliseren voor bedrijfswoningen. Maar de onderneming wil zijn leven beteren. De directie geeft toe dat “we aanvankelijk te veel gespitst waren op de technische uitdaging en financiële overleving” en wil van nu af aan een “goede buur” worden. Onlangs is de Stichting Freeport opgericht, met een voorlopig budget van vijf miljoen dollar voor de bouw van huizen en medische voorzieningen in samenwerking met de provinciale overheid. In de toekomst wil de stichting landbouw- en veeteeltcursussen gaan verzorgen voor Papoea's uit de omgeving en geld investeren in kleine bedrijfjes.

Als parlement en president van Indonesië akkoord gaan, beschikt Freeport volgend jaar over een immense concessie van 2,5 miljoen hectare, die zich uitstrekt tot de grens met Papoea-New Guinee en waarvan 25 procent produktief mijngebied wordt. Het bedrijf heeft een investering van 500 miljoen dollar op de rol staan om de ertsaders van de Grasberg te exploiteren, wat de produktie van kopererts in enkele jaren op 57.000 ton per dag moet brengen. Gezien de huidige wereldmarktprijs voor koper zal het Freeport wel voornamelijk te doen zijn om het goud van Irian.