"Ironische fout' Kamervoorzitter; Is Deetman in zijn tegenwoordige functie nog "geloofwaardig'?

DEN HAAG, 18 SEPT. Vrijwel precies twee jaar geleden benoemde een kleine meerderheid van de Tweede Kamer het zojuist bij de verkiezingen gekozen lid Deetman (CDA), tevens demissionair minister van onderwijs, tot Kamervoorzitter. De punctuele Dolman (PvdA), wiens partij bij de verkiezingen een duidelijke achterstand ten opzichte van het CDA had opgelopen, moest het veld ruimen. Bij deze gelegenheid vroegen sommigen zich af, waarom nu juist Deetman, wiens ministerschap niet onomstreden was geweest, op de voorzittersstoel werd gezet; verwezen werd onder meer naar de moeilijkheden rond de nieuwe studiefinanciering. Menigeen hoopte in stilte dat de nieuwe Kamervoorzitter aan het parlementaire werk doeltreffender leiding zou geven dan hij als minister aan het departement van onderwijs had gedaan.

Inmiddels is ook aan het licht gekomen dat Deetman als minister de Tweede Kamer “niet tijdig en adequaat” op de hoogte heeft gesteld van problemen rond de invoering van het nieuwe stelsel voor de vergoeding van de materiële kosten bij het basisonderwijs. Het is op zijn minst ironisch te noemen dat iemand die thans waakt - althans behoort te waken - voor de belangen van het parlement indertijd - zij het in een andere functie - te kort is geschoten inzake de grondwettelijke inlichtingenplicht jegens het parlement. Wellicht ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat het recht van de Kamers der Staten-Generaal op de juiste inlichtingen van regeringswege een van de hoekstenen van onze parlementaire democratie vormt, waarbij onder meer het parlementaire budgetrecht en de parlementaire controletaak in het geding zijn.

Wat te doen met bewindslieden die het parlement op het “verkeerde been” hebben gezet? Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen fouten in een vorige bewindsperiode en fouten in een nog lopende periode. De Tweede Kamer hield in 1985 minister Van Aardenne de hand boven het hoofd nadat deze als minister van economische zaken in een vorig kabinet in 1979 te kort was geschoten in zijn inlichtingenplicht jegens het parlement inzake de RSV-kwestie. Minder gelukkig waren in latere jaren minister Van Eekelen (defensie) en staatssecretaris Brokx (volkshuisvesting) wegens vermeende beleidsfouten in een vorige bewindsperiode; zij kregen het overigens niet aan de stok met een Kamermeerderheid als zodanig, maar zij werden door hun eigen politieke geestverwanten, respectievelijk VVD en CDA, onderuit gehaald, wat ook het geval was met de christen-democratische staatssecretaris Van der Linden (buitenlandse zaken) in de paspoortaffaire.

Hoe zit het nu met Deetman! Als minister kan hij niet meer worden “gepakt”, want hij is geen minister meer en dus valt hij ook niet meer onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Als Kamervoorzitter is hij met meerderheid van stemmen door zijn medeleden benoemd en het is onduidelijk of hij in deze functie tussentijds tot aftreden kan worden genoopt wegens fouten in een vorige en bovendien andersoortige functie gemaakt; de Grondwet voorziet niet in zo'n geval. Het is intussen wel de vraag of de betrokkene in zijn tegenwoordige functie nog “geloofwaardig” is.

De Grondwet zegt sinds 1983 niets meer over de termijn waarvoor de Kamervoorzitters worden benoemd; de regel geldt dat de benoeming zich uitstrekt tot de hele parlementaire periode, dus tot aan de volgende verkiezingen.

Een vergelijking met de positie van de wethouders krachtens de Gemeentewet dringt zich op. Zij worden door de gemeenteraad benoemd en kunnen sinds 1948 tussentijds worden ontslagen als zij hebben opgehouden het vertrouwen van de Raad te genieten; de ontslagmogelijkheid werd destijds bij wijze van gelegenheidswetgeving ingevoerd om communistische wethouders te “wippen”.