Hogere vergoeding voor bewindslieden

DEN HAAG, 18 SEPT. Het kabinet is van plan de onkostenvergoeding voor ministers en staatssecretarissen te verhogen met 1.200 gulden per jaar. De aanpassing is volgens een woordvoerder van Financiën “noodzakelijk” na de herziening van het belastingstelsel in 1990.

De onkostenvergoeding komt in de plaats van de post “niet-declarabele kosten”. In de periode vóór Oort - tot en met 1989 - bedroeg deze aftrek 9.000 gulden, voor staatssecretarissen 7.500 gulden. Bij een toptarief in de loonbelasting houdt een minister 5.400 gulden netto over; een staatssecretaris 4.500 gulden.

Volgens de woordvoerder van Financiën kunnen werkgevers sinds "Oort' hun werknemers aan belastingvrije onkostenvergoeding geven. De hoogte daarvan is afhankelijk van de werkzaamheden en wordt door de belastinginspecteur al dan niet gefiatteerd. Ministers en staatssecretarissen kennen een dergelijke regeling nog niet. De nieuwe onkostenvergoeding moet daarin voorzien.

Het bedrag is volgens de woordvoerder van Financiën “optisch hoog”. Sinds de jaren zestig is de vergoeding niet meer aangepast aan de prijsstijging. “Maar het blijft een vervelend moment dat het juist nu in de publicciteit moet komen met al die sociale onrust”, aldus de woordvoerder.

Volgens dr. J.W. Zwemmer hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam “profiteren de bewindslieden het meest van de belastingherziening”. Ook de ministers en staatssecretarissen hebben al gebruik gemaakt van de verlaging van het toptarief van 72 naar 60 procent, meent Zwemmer. De nieuwe regeling is “fors hoger” dan de aftrekpost uit de oude regeling, aldus Zwemmer.