Hans van Breukelen keept vandaag in de "hel van Turkije'; "Voetbal is vreugde en verdriet, maar ook haat'

Turkse supporters staan bekend als de meest fanatieke van Europa. PSV wacht vandaag tegen Besiktas dan ook een orkaan van lawaai. Trainer Gordon Milne van Besiktas spreekt liever over "de hel van Turkije'. Een gesprek met Hans van Breukelen over de twaalfde man. Over steun en blinde haat.

ISTANBUL, 18 SEPT. Hans van Breukelen heeft in de loop van de jaren al heel wat naar zijn hoofd gekregen: een ijzeren staaf, een Engelse sleutel, stukken beton, een vibrator, vuurwerk, munten, eieren. Wennen doe je er nooit aan, maar je leert er mee leven.

Hij vraagt zich wel eens af wat voor mensen dat zijn die dit soort dingen doen. Waarschijnlijk dezelfden die onmiddellijk "Hansie in een rolstoel' schreeuwen als hij geblesseerd raakt. Beseffen ze wel dat ze hem dood kunnen gooien of tenminste zwaar verwonden? Beseft hij zelf dat wel altijd? Nee, hij weigert om er steeds bij stil te staan. “Want dan sta je meer achterom te kijken, dan dat je meespeelt. Ik hoop maar dat het goed blijft gaan. Ik probeer het maar te relativeren. Dan denk ik: "ik ben te goed verzekerd, mijn vrouw en kinderen blijven goed verzorgd achter'. Zo redeneer ik dan.”

Hans van Breukelen heeft in de loop van de jaren al heel wat naar zijn hoofd gehad: aan verwensingen en diskwalificaties, aan toejuichingen. En hij hoort alles. Hoe groter zijn concentratie voor de wedstrijd, hoe meer dat hij hoort.

Hij hoort allereerst de golven van geluid: het gejuich dat aanzwelt als de tegenstander dichterbij komt. De spanning die ontlaadt in duizend kelen. Dat pept hem op. Ja, daar geniet hij van. Hij weet wel dat dit geluid tegen hem gericht is. Maar hij ervaart het als een stimulans. Hij doet er zijn voordeel mee. “Het mooiste vind ik als ze al beginnen te juichen voor een goal, als ze al met de handen in de lucht staan, en ik kan zo'n bal dan net nog pakken. Die zucht van teleurstelling die dan volgt. Dat vind ik prachtig.”

Aanmoedigingen variëren van land tot land, zegt Van Breukelen. In Oostbloklanden zitten supporters voortdurend te fluiten. In Zuideuropese landen gaan ze ritmisch klappen. In Groot-Brittannië zingen ze graag clubliederen. En zoals de Turken tekeer gaan heeft hij nergens anders meegemaakt.

Hij herinnert zich nog vier jaar geleden het Europa Cup-duel tegen Galatasaray in Istanbul. In het stadion hing een reusachtig spandoek met het opschrift: "welcome to hell'. Dat was geen woord te veel gezegd. Het leek of de twee helften van het stadion een gewelddadig duet samen zongen. Ze reageerden op elkaar. En geen moment was er stilte. Het lawaai was overweldigend.

Van Breukelen vindt het heerlijk in zo'n ambiance te spelen. “Dat is toch eigenlijk waar je alles voor doet. Ik speel liever voor 40.000 mensen dan voor 500, of ze nou voor of tegen me zijn. Hoe meer het publiek meeleeft, hoe meer er op het spel staat, hoe makkelijker het is om iets extra's te geven. Noem het maar een positieve faalangst. Onder druk het beste van jezelf naar boven halen, dat is toch zalig.”

“Publiek is ongelooflijk belangrijk. Dat kan je over een dood punt heen helpen, mentaal en fysiek. Het kan je opzwepen, zodat je je grenzen gaat verleggen, zodat je net dat extra stapje doet. Publiek kan je vleugels geven.”

Maar publiek kan je ook klein en angstig maken. Massale opkomst kan je ook intimideren en verlammen. Dat dreigde Patrick Lodewijks te gebeuren in de belangrijke uitwedstrijd tegen Real Madrid. Hij moest de geblesseerde Hans van Breukelen vervangen. Midden in de nacht belde hij Hans van Breukelen op. Hoe hij zich staande kon houden in die heksenketel van het Bernabeu-stadion? “Proberen ervan te genieten”, had zijn praatpaal aangeraden. “Uit je schulp kruipen om je talenten te tonen. Hier heb je toch altijd van gedroomd?”

Van Breukelen hoort niet alleen de anonieme golven van geluid, de decibellen. Hij hoort ook de spreekkoren, de jolige kreten, de uitingen van blinde haat. Sommige roepers en schelders is hij door de jaren heen gaan herkennen. Zoals die man bij Sparta die elk jaar weer dezelfde teksten heeft. “Zo iemand die een geeltje uitgeeft om zich anderhalf uur te kunnen afreageren. Veel mensen gaan alleen maar naar het voetbal om er hun agressie te ventileren.”

Voetbal is emotie, zegt Hans van Breukelen. Voetbal is vreugde en verdriet. “Maar voetbal is ook steeds vaker haat. Hoe ver mag je emoties laten gaan? Ik denk dat een heleboel grenzen al lang zijn overschreden.”

En dan heeft hij het niet over de spreekkoren die hem bezingen als "ouwe lul, ouwe lul, ouwe lul', of als "kankerneus' of als "centenbakkie', wegens zijn Habsburgse kin. Daar lacht hij alleen maar om. Die stimuleren hem enorm. Die snoert hij de mond wel. “Door gewoon de ballen te pakken.” Maar dan doelt hij op het gesis en gepiep en de oerwoudgeluiden, die zijn bedoeld om joden en Vanenburg en kleurlingen te treffen. Op mensen die zijn vrouw en kinderen luidkeels de meest verschrikkelijke ziektes wensen. Op die supporters die Jan Jongbloed vlak na het overlijden van diens zoon gretig zout in de wonde wreven. “Dat is toch ziek. Dat is toch zielig.”

In het Philips-stadion voelt Van Breukelen de meeste binding met de L-side. Dat zijn supporters die snappen dat je hun steun het hardst nodig hebt als het slecht gaat. Soortgelijke groeperingen bij andere clubs kan hij ook wel waarderen. Bij voorbeeld vak-S bij Feyenoord. Omdat ze hun club blijven steunen, ook als die met 6-0 achter staat.

In de Kuip zal Van Breukelen altijd eerst naar vak-S gaan. “Om alvast een eerste gescheld in ontvangst te nemen. Dan ben ik eraan gewend. Ik moet wel lachen als ik daar weer honderd middelvingertjes de lucht in zie gaan.”

Intimidatie is volgens Van Breukelen nog de meest milde vorm van agressie. Het begint al als je uit de spelersbus stapt. Supporters die demonstratief de duim naar beneden steken. Schop- en slagebaren maken. Vier jaar geleden in de uitwedstrijd tegen Galatasaray was Erik Gerets het mikpunt. Hij had het twee weken daarvoor in Eindhoven aan de stok gehad met de hulptrainer van de Turken. Dat heeft hij geweten. Vanaf het moment dat hij op vliegveld Atatürk arriveerde, demonstreerden duizenden handen zijn naderend einde: een slag met het kromzwaard. Kop eraf.

Maar erger dan publiek is geen publiek, vindt Hans van Breukelen. Hij kan zich best voorstellen dat voetballers naar Zuid-Europa trekken puur en alleen voor het genot van volle, zinderende stadions. Het mooiste voorbeeld vindt hij Ronald Koeman. In het laatste seizoen dat de centrumverdediger van Oranje in Eindhoven speelde, voetbalde PSV in Amsterdam tegen Ajax. Het was ontzettend slecht weer en er kwamen maar 8.000 mensen. Wat heb ik hier nog te zoeken, als de opkomst bij zo'n topwedstrijd al marginaal is, verzuchtte Koeman na afloop. Van Breukelen: “Op dat moment wist ik dat Koeman naar Barcelona zou gaan.”

Weinig publiek of een mat publiek, dat is fnuikend. Want dan krijg je geen prikkels, dan is het heel moeilijk om tot het uiterste te gaan. Maar het ergste, vindt Hans van Breukelen, is als het eigen publiek zich van je afwendt, zich zelfs tegen je keert. “Dan denk ik: barst toch allemaal.”