De commandant: Papoea-staat is maar een droom

JAYAPURA, 18 SEPT. “We kunnen het separatisme in Irian Jaya niet uitroeien door de mensen te vermoorden; de enige weg is ontwikkeling”. Majoor-generaal Abinowo, commandant van het Achtste Militaire District (Molukken en Irian Jaya), betoont zich de laatste tijd een gematigd man. In lezingen en interviews noemt hij de enorme sociaal-economische achterstand van Indonesië's oostelijkste provincie, de kern van het probleem. “Het ideaal van een Melanesische natie-staat”, aldus Abinowo, “is een droom, die wordt gevoed door isolement, gebrekkig onderwijs en een lage levensstandaard. Dat alles vraagt om versnelde ontwikkeling”.

In het vanouds onrustige grensgebied met Papua New Guinea, het operatieterrein van de afscheidingsbeweging Vrij Papoea (OPM), ontplooit het Indonesische leger al enige tijd geen militaire activiteit van betekenis meer. De recente toenadering tussen Indonesië en buurland Papua New Guinea - er wordt al gesproken over gezamenlijke patrouilles in het grensgebied - heeft de speelruimte van de OPM verkeind. Dat verklaart misschien de gematigde geluiden die tegenwoordig opklinken uit het legerhoofdkwartier in Jayapura.

Welke vorm de “versnelde ontwikkeling” van Irian Jaya moet aannemen, is overigens een punt van controverse. In Jakarta en Jayapura spreekt men veelvuldig over “openlegging”. Het paradepaardje van de ontsluitingspolitiek is de 500 kilometer lange weg die momenteel wordt aangelegd over de steile passen en door de dichte wouden van het centrale bergland en die Jayapura moet verbinden met Wamena, een stadje in de Baliem-vallei. Communicatie betekent ontwikkeling, menen de planners, maar skeptici zien in de nieuwe infrastructuur vooral afvoerwegen voor in het binnenland gewonnen tropisch hout en mineralen.

Critici van de “openlegging” wijzen er op dat de inheemse bevolking verzwolgen dreigt te worden door de toevloed van kapitaal en geschoolde arbeidskrachten van elders en dat ze haar traditionele landbouw- en jachtgronden voor een appel en een ei kwijtraakt. Het onderwijs in Irian Jaya, een middel om de weerbaarheid van de Papoea-bevolking te vergoten, ligt ver achter bij de rest van Indonesië. Officieel heeft 70 procent van de Papoea's een lagere school opleiding, maar welingelichte kringen in Jayapura houden het op "krap zestig procent'. Gouverneur Barnabas Suebu zegt dat het lager onderwijs in Irian Jaya kampt met een tekort aan 3.000 leerkrachten.

Al even gebrekkig is de gezondheidszorg. Slechts 117 dorpen hebben een medische post, waarvan maar de helft bemand is met een arts. De rest moet het stellen met paramedisch personeel. Suebu: “Het duurt soms dagen om een patiënt naar het dichtstbijzijnde gezondheidscentrum te brengen. Men laat zijn verwanten liever thuis sterven dan onderweg naar een kliniek”.

Het schrille contrast tussen hypermoderne mijnbouw en houtwinning aan de ene en een grotendeels ongeletterde, door malaria geplaagde bevolking aan de andere kant, is een bron van onrust.

Dichtbij de grens met Papua New Guinea, in het ontoegankelijke Sterregebergte, wordt geëxperimenteerd met een andere vorm van ontwikkeling. In Oksibil, een districtshoofdplaats van nog geen 1.000 zielen, heeft Kees van Dijk, een Franciscaner pater uit Nederland, zijn bivak. Het Sterregebergte, woongebied van het Ngalum-volk, behoort tot het actieterrein van de katholieke kerk.

Irian Jaya is in 1929 door het Nederlandse bestuur opgedeeld in kerkregio's om voor de Papoea-bevolking mogelijk verwarrende dubbele zending te voorkomen. Het zuiden was voor de missie; het noorden voor de zending. Dat is nog steeds zo: Oksibil heeft een katholieke lagere school en een SMP (vergelijkbaar met de MAVO). Pater Kees, een Indonesisch staatsburger, bereist zijn gebied te voet; het verst afgelegen dorp is twee dagen lopen.

Twee jaar geleden brak in Oksibil en omgeving een geheimzinnige ziekte uit. De verschijnselen leken op malaria, maar de patiënten reageerden niet op de medicijnen. Sinds mei 1989 zijn in het hele district al bijna 500 mensen aan deze ziekte gestorven. Op een bevolking van 1.500 mensen is dat een dramatisch hoog sterftecijfer.

Van Dijk: “Van overheidswege werd geen aandacht geschonken aan deze rampzalige epidemie. Er kwamen geen artsen of andere voorzieningen naar Oksibil. De mensen voelden zich in de steek gelaten en vroegen zich verbitterd af of ze soms allemaal dood moesten. Ik heb toen een dokter laten komen, die is inmiddels op het spoor van een heel nieuw virus”. Dat onderzoek vraagt tijd en in Oksibil en omgeving bezwijken nog steeds mensen aan deze onbekende koorts.

De plaatselijke bevolking stelt veel vertrouwen in "pater Kees' en staat zeer argwanend tegenover de in Oksibil gedetacheerde overheidsfunctionarissen. De epidemie was aanleiding voor de oprichting van een zogenaamde "kerngroep' van Papoea-notabelen, onder wie enkele onderwijzers, die met enthousiaste steun van pater Kees besloten de ontwikkeling van hun gemeenschap in eigen hand te nemen.

Vorig jaar arriveerde in Oksibil een team geologen van de Canadese mijnbouwfirma Ingold. Die kreeg van de Indonesische regering een concessie om in een gebied van enkele honderden vierkante kilometers - het hele Sterregebergte en een stuk ten zuiden daarvan - de aanwezigheid van goud in kaart te brengen. Het Ingold-team legde contacten met het districtshoofd, met de militaire commandant en met de kerk. Via bemiddeling van pater Kees kwam ook een gesprek kwam ook een gesprek tot stand tussen de Canadezen en de "kerngroep' van Oksibil.

Een van de onderwijzers uit de groep: “Wij maakten het team duidelijk dat we geen bezwaren hebben tegen onderzoek in ons gebied, mits men de traditionele grondrechten van de bevolking respecteert en elke keer toestemming aan de traditionele leiders ter plaatse vraagt. Wij wilden ook garanties dat als het volgend jaar tot proefboringen en wellicht exploitatie komt het volk van de Ngalum mee profiteert van de opbrengst”. De Canadezen bleken zeer geïnteresseerd in samenwerking met de kerngroep. Die vervult nu een bemiddelende rol tussen het bedrijf en de clan-oudsten in de dorpen.

Het Sterregebergte is al jaren operatieterrein van de afscheidingsbeweging OPM, die onder de Ngalum op passieve steun kan rekenen. De kerngroep en pater Kees onderhouden rechtstreekse contacten met de OPM-commandanten in de omgeving. Zodra de clan-oudsten van een dorp toestemming geven voor een onderzoek op hun grond, zorgt de kerngroep er voor dat de OPM het team met rust laat. De onderwijzer: “De OPM erkent inmiddels dat de gemeenschap van Oksibil voor zijn eigen rechten opkomt en accepteert ons als verbindende schakel met het bedrijf. Zo lang Ingold zich aan de afspraken houdt, heeft het bedrijf in het Sterregebergte niets te vrezen”.

De groep heeft intussen het plan opgevat om de traditionele grondrechten in de streek in kaart te brengen. Ze gaat daarvoor te rade bij mensen die krachtens de adat (het gewoonterecht) gezagsposities bekleden in de dorpen. De onderwijzer: “De regeringsfunctionarissen die van buiten komen weten veel te weinig van onze adat en gaan nogal eens in tegen onze rechtsregels. De dorpsoudsten wijzen ons de rivieren, beken, bergen en heuvels aan die de clan-gronden begrenzen. Door alles nauwgezet in kaart te brengen, willen we voorkomen dat het bedrijf in zee gaat met individuen die persoonlijke, dikwijls oncontroleerbare claims leggen en grond verkopen zonder toestemming van de gemeenschap.”

De groep maakt gebruik van een gedetailleerde geologische kaart van Ingold, die ze fotografisch heeft laten vergroten en stukje bij beetje inkleurt met de gegevens uit de interviews. Ingold heeft toegezegd zich strikt aan deze kaarten te houden en eventuele compensatie via de kerngroep uit te keren, onder meer in de vorm van beurzen. Jongeren uit het Sterregebergte kunnen daarvan geologie studeren en krijgen van Ingold de toezegging dat ze bij het project te werk worden gesteld.

Volgens Kees van Dijk stellen de plaatselijke militaire en politie-autoriteiten zich constructief op tegenover deze samenwerking. Pater Kees: “De tijd dat politemannen en soldaten zich aan de meisjes uit de dorpen en aan de veestapel vergrepen zijn voorbij. Wij hier hebben tegenwoordig goede commandanten die greep hebben op hun mannen. Het huidige garnizoen in het Sterregebergte, een legergroep uit Kalimantan, is zeer gedisciplineerd. De officieren zien wel heil in ons experiment en dat vergemakkelijkt het werk aanzienlijk”.

De onderwijzer: “Een paar jaar geleden belandde ik tegen wil en dank bij de OPM. Ik wist te verhinderen dat politiemannen een stel meisjes uit het dorp verkrachtte en zij gaven me daarop aan bij hun commandant: ik zou contacten hebben met de OPM. Ik vluchtte het bos in en trok mee met een OPM-bataljon. Op voorspraak van pater Kees kon ik twee jaar later terugkomen naar Obsibil en mijn baan weer opnemen. Ik geloof niet dat we via oorlog ons recht krijgen. Deze kerngroep is een kans om aan de ontwikkeling van onze gemeenschap te werken”.