Convulsies van de verzorgingsstaat

Een jaar of vijfendertig geleden heeft president Eisenhower de Zweden beledigd door te verklaren dat het grote aantal zelfmoorden in hun land direct verband hield met hun socialisme. De Zweden hebben toen, voorzover ik me herinner, verzuimd een onderzoek te doen naar het verband tussen het aantal moorden en het liberalisme. Misschien voelden ze zich te zeker van zichzelf om de behoefte te hebben zich te verweren. Dat zelfvertrouwen is nu voorbij, de eeuwig gewaande sociaal-democratische regering heeft de verkiezingen verloren en de reacties in het buitenland zijn niet vrij van de ondertoon die Eisenhower destijds heeft gezet.

Hoe komt het dat niet-socialisten op de sociaal-democratie met ergernis en woede reageren zolang ze aan het bewind is, en met leedvermaak als ze verliest? Meer dan andere politieke stromingen heeft de sociaal-democratie de allure van een onaantastbaar gelijk, in de uitingen van haar leiders en aanhang, zoals een bloemlezing uit de toespraken van Drees sr. en Vorrink tot Den Uyl en Kok duidelijk zal maken. Dit groot besef van groot gelijk leidt tot perfectionisme en dat gaat gepaard met arrogantie, zeker in de ogen van de buitenwereld. Ieder perfectionisme in het bestuur veroorzaakt een bureaucratie die tot een zelfstandig bolwerk groeit. Dat is geen indruk meer, maar een ervaringsfeit. Als de grondleggers van deze bureaucratie hun nederlaag lijden, is dat een oorzaak van veel leedvermaak.

In reacties op de nederlaag van de Zweedse sociaal-democraten lezen we dat ook hun land nu eindelijk de "post-socialistische wereld betreedt'. Men mag daaruit opmaken dat het daar veel beter is, hoewel men niet leest in welk opzicht dat het geval is. Dat laatste is betrekkelijk eenvoudig gezegd: de "post-socialistische' wereld is een half socialistische, met een grondslag van collectieve voorzieningen die in de eerste tientallen jaren na de oorlog door socialistische partijen zijn afgedwongen of ontstaan onder regeringen waarvan de sociaal-democraten deel uitmaakten. Hoewel in de Verenigde Staten geen socialisten bestaan, is ook daar, begonnen onder Roosevelt, een systeem van collectieve doelmatigheid en rechtvaardigheid gegroeid, van de Tennessee Valley Authority tot Medicare en door de overheid afgedwongen integratie der zwarten.

Nadat in alle landen van de Westelijke wereld de stroming van rechtvaardigheid door collectieve maatregelen het half had gewonnen, is er een reactie gekomen. De meest opzienbarende reacties waren die van Thatcher en Reagan. Daarbij werden vooral de economische vrijheden vergroot ten koste van de macht der bureaucratie. De mengvorm werd niet gecorrigeerd maar aangetast, in die mate dat het "reaganisme' en "thatcherisme' werden uitgeroepen tot politieke richtingen, verschijningsvormen van het liberalisme die het van "de collectieven' hadden gewonnen. De zege is in de Verenigde Staten zo verpletterend dat daar 32 miljoen mensen onder de welstandgrens leven, het analfabetisme een nationaal probleem is, delen van de infrastructuur zoals bruggen en autowegen zicht- en voelbaar afbrokkelen en men in de grote steden struikelt over de bedelaars en de daklozen. De tijd is rijp voor de herontdekking van The Affluent Society, het meesterwerk van John Kenneth Galbraith: private wealth and public squalor.

Misschien is de tijd van de orthodoxe sociaal-democratie voorbij. De verzorgingsstaten in de stichting waarvan ze zo'n groot aandeel hebben gehad, lijden onder convulsies waarin vooral hun partijen het zwaar te verduren hebben. Maar wil dit zeggen dat het concept van de verzorgingsstaat zelf achterhaald is? Ook de meest verstokte liberaal die dit zou wensen, zou het zich niet kunnen veroorloven, omdat in dit stadium van de industriële en technische ontwikkeling en de internationale verwevenheid een minimale verzorgingstaat een levensvoorwaarde is voor de samenleving waaraan hij de structuur verleent.

Het merkwaardige is dat men het daarover in theorie eens is en er van tijd tot tijd zelfs ook naar handelt. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens worden niet alleen de individuele politieke vrijheden geformuleerd. Ook het recht op arbeid, op een behoorlijk bestaansniveau, rust en vrije tijd en onderwijs zijn vastgelegd. De Universele Verklaring, naar de letter opgevat, is de blauwdruk voor de verzorgingsstaat van wat de laatste tijd het Dorp Wereld wordt genoemd. Zoals nu blijkt uit de manier waarop het Westen het verval van de Sovjet-Unie begeleidt, belangrijke delen van zijn buitenlandse politiek tot "hulpverlening' heeft getransformeerd, en op die manier rampen tracht te voorkomen, handelt het, natuurlijk uit eigenbelang, tegelijkertijd met een solidariteit die de socialisten prijzenswaardig zal voorkomen. In de buitenlandse politiek ontbreekt het niet aan analyses die het publiek ervan overtuigen dat "hulp en begeleiding' - termen uit het Nederlandse welzijnswerkersidioom - noodzakelijk zijn.

Het gaat erom, zulke analyses te maken van het verval in de eigen Westerse maatschappijen: de alzijdige overbelasting van de verzorgingsstaat in zijn tegenwoordige vorm, en een definitie van het minimum dat we moeten houden op straffe van ontwrichting.

De socialisten weten dat niet, beginnen er niet werkelijk aan, en de liberalen evenmin.