Chinese hockeysters rukken op naar subtop van de wereld; Partij worstelen als warming-up

BERLIJN, 18 SEPT. Roelant Oltmans, de coach van de Nederlandse hockeysters, noemt de Chinese ploeg “Korea 2”. China wist binnen korte tijd op te rukken naar de subtop van het internationale vrouwenhockey. Het land kent pas sinds 1983 een competitie, maar de nationale ploeg eindigde bij het laatste WK in Sydney wel op de zesde plaats en heeft daardoor de eervolle uitnodiging gekregen om, als vervanger van Groot-Brittannië, aan het toernooi der elite om de Champions Trophy in Berlijn mee te doen.

De Chinese speelsters hebben net zoals die uit Korea een groot loopvermogen en een goede sticktechniek. Er is maar één groot verschil met Korea, inmiddels een topland bij de vrouwen: De speelsters uit China zijn opvallend vrolijk en lachen veelvuldig. Het lijkt er af en toe wel een kippenhok. Vlak voor de wedstrijd tegen Duitsland kakelen de dametjes uit Azië, voornamelijk studentes met een gemiddelde leeftijd van 21 jaar, er flink op los. Op het moment dat de tegenstanders zich in een hoek van het veld in Berlijn al serieus op het duel aan het voorbereiden zijn, beginnen twee Chinese speelsters nog met een partijtje vrij worstelen. De rest van het team moedigt de ploeggenoten aan en de winnares wordt uitgebreid gefêteerd. Het is een leuke bende.

Coach Qingyou Zhang, 35 jaar en zelf een ex-international in zijn land, laat het allemaal toe. Hij lacht net zo veel als zijn speelsters. Maar na afloop van het duel tegen Duitsland dat met 2-1 verloren gaat is Zhang ernstig en boos. Hij vraagt zijn team in een rij voor hem te gaan staan en geeft de hockeysters een reprimande. Met een kort handgebaar stuurt hij ze daarna naar de kleedkamer. Later beantwoordt Zhang de vraag of hij een strenge coach is na een paar momenten van stilte positief. Hij gaat echter niet over de scheef, dat niet. Pang, assistent-bondscoach bij Nederlandse volleyballers, heeft al eens gezegd dat Chinese sporttrainers niet schreeuwen of slaan, zoals bij de Japanners en Koreanen wel het geval is. “We straffen door de atleten steeds moeilijkere en meer oefeningen te laten doen”, aldus Pang.

Deze werkwijze blijkt bij de hockeysters te werken. Het was in 1975 dat het Chinese sportministerie voor het eerst een delegatie naar Pakistan stuurde om eens naar hockey te kijken. Sindsdien keerden de Chinezen regelmatig terug naar Lahore en Karachi en werden verscheidene experts naar China gehaald. Eerst waren dat Pakistani, later ook mensen uit andere landen die steeds een korte periode cursussen en trainingen gaven. Er zat, vertelt de secretaris van de Chinese hockeybond Zhao Shutian, ook een Nederlander bij. Hij noemt een naam die pas na veel moeite kan worden vertaald, Bert Bunnik.

China is mede door die hulp van buitenaf snel op de wereldranglijst geklommen. Toch is secretaris Shutian nog niet tevreden over het niveau van de nationale ploeg. Hij trekt een vies gezicht en zegt dat het vooral tactisch nog niet in orde is. Maar, stelt Shutian, de omstandigheden in eigen land zijn verre van ideaal. No money, zegt hij in zijn beste Engels. “We krijgen maar een beetje steun van de regering. Er zijn zo veel takken van sport en die hebben alle geld nodig.” En hockey is een kleine sport in China met volgens Shutian maar een paar duizend serieuze beoefenaars. Hij steekt dan twee vingers in de lucht ten teken dat zijn hele grote land maar twee kunstgrasmatten heeft. “Nederland ligt er vol mee, hè?” Hij wil weten hoeveel inwoners Nederland heeft. “Veertien miljoen? Wij hebben er veertien miljard en maar twee velden.” En Shutian schatert het uit.

Hij blijft er bijna in als de vraag wordt gesteld of China ooit hockeykampioen zal worden. De tolk en coach Zhang lachen met hem mee en brabbelen een paar minuten met elkaar. “Ja”, zegt Shutian dan, “misschien gaan we in de verre toekomst goud winnen.” Dat zou, wordt geopperd, dan hier in Berlijn kunnen gebeuren waar misschien de Olympische Spelen van 2000 worden gehouden. Weer wordt er gelachen. “Nee, niet in Berlijn, maar in Peking.” Ook de Chinese stad is namelijk kandidaat voor de Spelen van 2000.

Bondscoach Oltmans is van mening dat de Chineze hockeysters in 1996 tot de wereldtop zouden kunnen behoren, “en misschien zelfs al in '94”. De opmars van de Aziatische ploeg wordt met genoegen door Oltmans en de rest van de hockeyfamilie aanschouwd. Een dergelijke ontwikkeling komt het vrouwenhockey niet slecht uit. “Nu is het wachten nog op Zuid-Afrika en dan komt de concurrentie uit alle delen van de wereld. Dat moet de mensen aanspreken”, constateert Oltmans. “Misschien dat we dan de waardering krijgen die we verdienen als we een succes halen.” Morgen verwacht de coach overigens nog geen problemen als zijn ongeslagen ploeg in Berlijn tegen China speelt. “Zo ver zijn de Chinezen nog niet. Ze komen nog tekort op tactisch gebied en missen ook ervaring.”

Oltmans erkent dat het veel makkelijker is bij de vrouwen progressie in het hockey te maken dan bij de mannen. “Met een goed fysiek vermogen en goede basistechnieken kan je bij de vrouwen al ver komen.” Hij verwacht echter dat ook de mannen van China eens aan de top zullen verschijnen. Maar de Chinezen in Berlijn hebben daar zo hun twijfels over. Zhao Shutian: “De mannen zijn lang niet zo vlijtig als onze vrouwen.” En de secretaris lacht nog één keer zijn tanden bloot.