CARL BILDT; Koel en arrogant

STOCKHOLM, 18 SEPT. Koel en een tikkeltje arrogant wees Carl Bildt, de leider van de conservatieve Gematigde partij, zondagavond na de verkiezingen een buitenlandse journalist terecht die hem een vraag had gesteld alsof reeds vast stond dat hij de nieuwe premier van Zweden zou worden. “Voorbarig”, noemde de 42-jarige conservatief die suggestie met de hem kenmerkende precisie. Gisteren verzocht de voorzitter van het parlement hem evenwel een regering te vormen, waardoor het premierschap Bildt bijna niet meer kan ontgaan.

De man die nog nooit een ministerschap heeft bekleed zet daarmee de kroon op een snelle loopbaan in de Zweedse politiek. Tussen 1976 en 1982, toen er enige tijd sprake was van een centrum-rechts intermezzo in de lange Sociaal-democratische overheersing, was hij nog te jong om minister te worden en fungeerde Bildt als adviseur van de regering. Sinds 1979 was hij actief als parlementslid van de Gematigde partij, de naam die de Conservatieve partij in 1969 aannam in de hoop zo meer Zweden te bekoren die toen nog in de ban van de Sociaal-Democraten verkeerden.

Bildt onderscheidde zich als parlementslid vooral op het terrein van de buitenlandse politiek en defensie. Met zijn scherpe tong en grote feitenkennis dwong hij respect af. Vooral door een reeks verhitte debatten met de toenmalige Sociaal-Democratische voorman Olof Palme over het binnendringen van Sovjet-onderzeeërs in Zweedse wateren vestigde hij de aandacht op zich. Zo kwam het niet als een verrassing dat Bildt in 1986 tot partijleider werd gekozen, ook al miste hij charisma en maakte hij een wat hooghartige indruk.

Van jongs af aan was Bildt, telg uit een oude vooraanstaande familie, internationaal geörienteerd. Zo was hij halverwege de jaren zeventig enige tijd voorzitter van een Europese studentenvereniging. Later ontwikkelde Bildt, die voortreffelijk Duits en Engels spreekt, goede persoonlijke betrekkingen met onder anderen de Duitse bondskanselier Helmut Kohl en de huidige voorzitter van de Britse Conservatieve partij, Chris Patten.

Al sinds zijn studententijd was Bildt een overtuigd voorstander van een Zweedse toetreding tot de Europese Gemeenschap. Door de jaren heen heeft hij daarop steeds gehamerd. Onlangs schreef hij zelfs een boek over deze kwestie, dat thans overal in de Zweedse boekwinkels te koop ligt. Onder zijn eigen premierschap zou deze wens nu in vervulling kunnen gaan.

Als kabinetsformateur en als premier staat Bildt voor een lastige opgave. Hoewel zijn eigen partij het op een na beste verkiezingsresultaat behaalde uit haar geschiedenis (21,9 procent van de stemmen, 80 zetels in het parlement), is hij afhankelijk van andere partijen voor het vormen van een coalitie. Daarvan zullen bijna zeker de Liberalen deel uitmaken (34 zetels) en vermoedelijk ook de gematigde Centrum-partij (31 zetels) en de Christen-Democratische partij (26 zetels). Ook daarmee mist de coalitie net de vereiste meerderheid van 175 zetels in het parlement. Tot zijn grote spijt zal Bildt dus op zijn best premier worden van een minderheidskabinet. Het zal veel vindingrijkheid vereisen om alle coalitiegenoten tevreden te stellen en niettemin een samenhangend beleid te voeren.

Juist omdat hij afhankelijk is van andere partijen, die economisch gezien minder radicaal zijn dan zijn eigen partij, kan er hoe dan ook geen sprake zijn van een conservatieve revolutie in het land. Ook Bildt zelf zou de verworvenheden van de Zweedse verzorgingsstaat trouwens niet zomaar overboord willen zetten. Wel mogen de Zweden onder Bildt rekenen op een verlaging van de belastingen en op het terugdringen van de rol van de overheid in de samenleving.

Bildt zal tot elke prijs willen voorkomen dat zijn regering dezelfde fout maakt als de vorige centrum-rechtse coalitie. Tijdens het grote televisiedebat tussen de partijen voorafgaand aan de verkiezingen kon de inmiddels demissionaire premier Ingvar Carlsson niet nalaten hier nog even fijntjes op te wijzen. Tussen 1976 en 1982 namelijk liep het aandeel van de overheid in de economie op tot liefst 67 procent van het BNP, hoger dan het ooit onder de Sociaal-Democraten was geweest.