Bijna doodgaan

Een enkele keer, wanneer ik heel laat thuis kom en de nacht hoog en breed is begonnen, heb ik nauwelijks nog de pit mijn kleren uit te trekken. Machteloos denk ik aan de handelingen die ik moet verrichten alvorens ik mij languit kan strekken en mijn ogen kan sluiten. De kamer staart mij aan, sprakeloos. De boeken staan uitgelezen in de kast. Zelfs de glimlach van het Egyptische dodenmasker aan de muur, boven het tafeltje met de portretten van mijn beminden, bereikt mij niet. Het is doodstil in het wereldruim en het lijkt onvoorstelbaar dat over enkele uren de machinerie van het leven opnieuw op gang zal worden gebracht. Als er ergens iets zou haperen, als de wekker van de man of de vrouw, die het eerst opstaat, niet zou aflopen, zouden wij dan allemaal doorslapen? Maar er is altijd wel iemand die zijn ogen opslaat, het dek van zich afschudt en met zijn gestommel een reeks van handelingen uitlokt waardoor de mensheid opnieuw de handen uit de mouwen steekt. Het eerste kind wordt gezoogd. Er wordt gegeeuwd, gekrabd, thee gezet, onwennig in de spiegel gekeken, gevloekt, gekust en gewuifd. Gedachten vliegen al rond. De eerste trams zetten zich schor in beweging en vervullen de nog stille straten met hun stalen geraas. De grote sterflijkheid wordt voortgezet.

Wanneer ik in mijn slaap zou doodgaan, zou ik niet beseffen dat ik bezig ben te sterven. Er zou een einde komen aan mijn leven zonder het perspectief dat het besef van dat nabije einde eraan zou geven. Maar wanneer ik sterf en tot mijn laatste ogenblikken bij mijn bewustzijn blijf, is er een punt waarop ik van begrip, hoe vaag ook, op een volstrekte afwezigheid van voorstellingsvermogen overga. Er is niets waaraan ik mijzelf kan meten. Deze overgang vind ik het raadselachtigst van het sterven, als de wisseling van een ondefinieerbare aggregatietoestand. Ik ben niet in staat mij die scheiding, dat omvallen van een wankel evenwicht voor te stellen. Ik moet er vaak aan denken, soms zolang dat ik er nog alleen om kan lachen.

Driemaal in mijn leven ben ik bijna gestorven. De eerste keer was ik te jong om de dood onder ogen te zien. Ik had, voor mijn gevoel, nog niets beleefd, was nog vol hunkering en onvervulde wensen. Ik vond mijn dreigende einde redeloos, al begreep ik dat er geen instantie was waartoe ik mij kon wenden om mijn beklag te doen. Ik was woedend over het gevaar waarin ik verkeerde. Ik zag mijn begrafenis zich afspelen, de eerste keer in de winter, de tweede keer in de lente, maar in welk jaargetijde ook, het zou een groteske plechtigheid worden, op een dag die ik bijna zelf kon berekenen. De meisjes en vrouwen zouden zwarte kousen dragen, een gedachte die, hoe smartelijk ook, mij zelfs toen nog opwond. Ik zou toegesproken worden, door een dominee zelfs, en van alle misverstanden was dat nog het ergerlijkste en beschamendste, alsof een dode zijn oor te luisteren legt. Daarna zou de aarde zich boven mij sluiten en zou ik alleen zijn, de zich ontbindende tegenvoeter van allen die op hetzelfde stukje van de wereldbol hun leven zonder mij zouden voortzetten.

De derde keer was ik ouder. Er was minder reden mij te beklagen. Alle gevoelens van ontbering en bezit, van vreugde en wanhoop, van extase en ontnuchtering had ik genoten, beproefd en er de begrensdheid van verkend. Ik had met vrouwen verkeerd, kinderen waren mij ontsproten. Behalve brood en runderlapjes had ik oesters, reerug en zalm gegeten. De smaak van champagne was mij niet onvertrouwd en in Rome had ik voetstappen liggen. Toch kwam het mij zinneloos voor dat ik mijn hand zou moeten terugtrekken van alles wat binnen haar bereik lag. Mensen die nooit bijna gestorven zijn zullen nooit begrijpen hoe het is wanneer je na je opstanding voor het eerst weer buiten loopt en de wereld in een even speelse als machtige krachtsinspanning uit je voorhoofd perst. Je verwondert je erover dat je aan alles hebt gedacht en dat, om een klein voorbeeld te geven, de mussen al meteen op de eerste scheppingsdag van kleine snaveltjes en klauwtjes zijn voorzien en dat de zwaluwen de hogere luchtlagen opzoeken. Je lacht om de miraculeuze gewoonheid van het leven op aarde, de onbeschroomde werktuiglijkheid waarmee licht en wind op stilte en duisternis preluderen.