Belast milieu

Een goed milieu blijkt een belangrijk politiek aandachtspunt. Er is in Nederland een "grote schoonmaak' nodig en die moet worden gefinancierd, liefst door de vervuiler. Die krijgt daarom te maken met een scala van heffingen die niet alleen op ministeries, maar bij voorbeeld ook door gemeenten worden bedacht. Ze willen soms meer bereiken dan de vervuiler voor "zijn' kosten te laten opdraaien, het kan er ook om gaan hen tot ander (schoner) gedrag aan te sporen of om bepaalde produkten voor de consument onaantrekkelijk te maken.

Onder welke naam die heffingen ook door het leven gaan, het zijn simpelweg belastingen. Tot die conclusie kwam vorig jaar een studiecommissie van de Vereniging voor belastingwetenschap. Het gaat soms om onbetekenende heffingen, maar in andere gevallen betreft het belastingaanslagen van miljoenen guldens.

Als onderdeel van een democratisch vastgestelde lastenverdeling, hebben dergelijke hoge aanslagen hun legitieme plaats. Toch mag men niet uit het oog verliezen dat ook vervuilers deel uitmaken van de rechtsstaat. Als belastingbetalers hebben zij recht op een heldere wetgeving en een correcte uitvoering daarvan.

Hier schort het in de praktijk nog wel eens aan, vooral als lagere overheden aan de slag gaan met belastingbepalingen. De rechtspraak illustreert hoe de belastingbetaler dan in een soort fiscale wild-west terecht kan komen. Hoewel ook de centrale overheid wel eens vreemde schuivers maakt, kunnen we constateren dat de Rijksbelastingdienst een professionele, goedkoop en soepel werkende heffingsinstantie is. Hoewel het jaren geleden door staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën) toegezegde belastingstatuut voor de burger er nog steeds niet is, geniet de belastingbetaler al een redelijke rechtsbescherming.

Het is daarom begrijpelijk dat de Vereniging voor belastingwetenschap er voor pleit dat die rechtsbescherming ook consequent voor allerhande (milieu)heffingen moet gelden. In het verlengde daarvan ligt de wens van de oud-minister van financiën, professor Hofstra dat de minister van financiën ook voor (milieu)heffingen van andere ministeries medeverantwoordelijkheid gaat dragen.

Tijdens de bewindsperiode van Hofstra kwamen er de eerste landbouwheffingen die buiten de minister van financiën om werden ingevoerd. Die tendens heeft zich doorgezet. Inmiddels is de situatie naar de mening van oud-staatssecretaris van financiën Koning al zo ver ontspoord dat de minister van financiën geen breekijzer meer heeft om verzet te plegen tegen belastingen die andere ministeries willen invoeren. Zijns inziens valt aan de huidige wildgroei weinig meer te doen.

In het begin van de tachtiger jaren mislukte een poging van de bewindslieden van Financiën om de complete belastingheffing op hun departement terug te krijgen. Later leden ook minister Ruding en staatssecretaris Koning zelf, een nederlaag toen zij probeerden greep te krijgen op de milieuheffingen, zo onthulde Koning vorig jaar. Niet alleen de bewindslieden van Financiën zijn aan de zijlijn geraakt; ook de belastingspecialisten van de Tweede Kamer komen bij de behandeling van milieuheffingen en dergelijke nauwelijks meer aan bod. Voorstellen voor nieuwe heffingen, worden behandeld door vakspecialisten op het betrokken terrein; niet door de fiscale deskundigen.

Het is begrijpelijk dat de voorzitter van de Kamercommissie die nieuwe belastingmaatregelen beoordeelt, het PvdA-kamerlid Vermeend, donderdag in Amsterdam heeft geopperd dat milieudoelstellingen moeten worden uitgewerkt in de bestaande belastingwetgeving. Daarbij denkt hij vooral aan de BTW en de accijnswetgeving.

Zijn pleidooi heeft niet alleen te maken met de betere rechtspositie van burgers en bedrijven; voor het internationaal opererende bedrijfsleven is er namelijk ook een ander belang. Voor belastingen gelden internationale regelingen en verdragen die dubbele belastingheffing en andere ongemakken moeten voorkomen. Veel milieuheffingen zweven in dat opzicht door hun onduidelijke status in het luchtledige. Dat kan een rem zijn op grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten. Vermeend bouwde tijdens de Amsterdamse discussiebijeenkomst over milieu en economische groei, voort op voorstellen voor verschuivingen in de belastingdruk die hij twee dagen daarvoor had gedaan bij het aanvaarden van het hoogleraarschap aan de Groningse universiteit.

Een belangrijk onderdeel van die voorstellen is een samenvoeging van belastingen en sociale verzekeringspremies, ten behoeve van een sociale bodemvoorziening. De financiering van deze zogenaamde fiscalisering van de premieheffing moet ten laste komen van de rijksbegroting. Op die manier drukken de premies niet meer uitsluitend op het loon, maar betalen ook mensen met bij voorbeeld vermogensinkomsten mee.

Vermeend wil niet dat de hogere inkomens door een lastenverschuiving in de loon- en inkomstenbelasting voor de extra kosten opdraaien. Die rekening wil hij door nieuwe milieuheffingen presenteren aan de vervuilende bedrijven. Tegelijk wil hij rigoureus kappen in het oerwoud van bestaande en nog te bedenken heffingen, door ze pas te accepteren als ze niet alleen eenvoudig uitvoerbaar maar ook doelmatig en doeltreffend zijn; de Nederlandse concurrentiepositie en werkgelegenheid niet aantasten; passen in onze fiscale systematiek en ook in het EG-beleid. Verder mogen financieringstekort en lastendruk er niet door worden beïnvloed. Tot slot moet het een vervuiler zijn die voor de kosten opdraait, want het gaat immers over een milieuheffing. Je zou niet denken dat er ook maar één heffing te bedenken valt die door deze toetsen heen komt.

Volgens Vermeend lijken er drie heffingen te zijn die de toetsen toch kunnen doorstaan. Dat zijn een (grond)waterheffing, een heffing op energiedragers zoals olie en gas, alsook een heffing op schaarse mineralen. Van deze heffingen verwacht Vermeend na enige tijd een jaarlijkse opbrengst van ten hoogste vier à vijf miljard gulden. Dat bedrag mag volgens hem beslist niet worden gebruikt ter financiering van milieumaatregelen of andere zaken; Vermeend wil het helemaal gebruiken om de gecombineerde belasting- en premiedruk voor de laagstbetaalden enigszins merkbaar te verlagen; nodig voor een betere werkgelegenheid.

Overigens zullen de mensen met de laagste inkomens als (indirecte) consument van water, energie en mineralen, moeten meebetalen aan hun drukverlaging. Een probleem dat zich bij veel milieuheffingen voordoet. Als alternatief kan het voor het milieu net zo effectief zijn om de belastingheffing niet alleen te gebruiken voor het onaantrekkelijk duur maken van vuile produkten maar het fiscale instrument ook in te zetten voor het aantrekkelijk goedkoop maken van schone produkten. Het lage BTW-tarief is nu alleen van toepassing op eerste levensbehoeften.

Als aanvullend criterium kan men milieu-aspecten introduceren. Dan komen bij voorbeeld fietsen in een verlaagd tarief. Ook zouden de openbaar-vervoerabonnementen altijd fiscaal aftrekbaar gemaakt kunnen worden; dat is te financieren met de afschaffing van het reiskostenforfait (een fiscale aftrekpost voor het woon-werkverkeer). De mogelijkheden voor het gebruik van belastingmaatregelen voor milieudoeleinden zijn daarmee nog lang niet uitgeput. Het blijft evenwel zaak bij alle plannen daarover ook de rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid van het belastingstelsel voor ogen te houden.