Water staat Duitsers tot de lippen

De Westduitse economie draait nog goed, zij het (tijdelijk?) iets minder dan voorheen. In Oost-Duitsland is de werkloosheid weliswaar nog schrikbarend hoog, het dieptepunt is er zelfs nog niet bereikt, maar er zijn onmiskenbaar ook tekens die op een beginnend economisch herstel wijzen. Met deze boodschap, die door veel Oostduitsers nog skeptisch wordt beluisterd, besloot kanselier Helmut Kohl eerder deze maand een van zijn periodieke overlegrondes met politici, bankiers, werkgevers- en werknemers.

De afgelopen dagen heeft Kohl tijdens een bezoek aan de VS nog eens een beroep gedaan op Amerikaanse ondernemers om nu toch met spoed in de vroegere DDR te investeren. De kanselier heeft haast, als hij zijn coalitiemeerderheid in 1994 in de volgende Bondsdagverkiezingen wil behouden, zijn voldoende economisch herstel en vertrouwen bij de Oostduitse kiezers daarvoor absolute voorwaarden.

Nu al echter staat de Duitse regering het water budgettair tot de lippen. De enorme gelddtransfers naar Oost-Duitsland (140 miljard mark in anderhalf jaar) en velerlei internationale verplichtingen (Golf-oorlog, EG, Oost-Europa) hebben per 1 juli 1991 zeer onpopulaire belastingverhogingen nodig gemaakt (46 miljard tot eind 1992, deels gaat het om tijdelijke verhogingen). Begin 1993 wacht een verhoging van de btw van 14 tot 15 procent, als het tenminste, zoals minister Waigel (CSU, financiën) nu nog verzekert, bij één punt verhoging blijft.

De woede van de Duitse belastingbetalers (kiezers) over de verhogingen van 1 juli is zeer groot, zoals de laatste maanden bleek uit hun stemgedrag bij regionale verkiezingen. En zoals blijkt uit geregelde opinie-onderzoeken. Ruim 80 procent van de ondervraagden in een onderzoek van twee weken geleden vond het fiscale pakket van 1 juli veel te zwaar. Van de Westduitse ondervraagden zou niet meer dan 1,6 procent (!) eventueel bereid zijn om nog een bescheiden aanvullend offer voor de Duitse eenwording te brengen. De overheid moet eerst zelf veel meer bezuinigen (op subsidies, defensie etc.), vonden de respondenten bijna unaniem. Wat voor de voorzitter van de bond van Duitse belastingbetalers reden was om te zeggen dat de verhoogde fiscale druk en de snel opgelopen staatsschuld “de maatschappelijke solidariteit” in het verenigde Duitsland in gevaar heeft gebracht. Anders gezegd: de Westduitsers willen niet meer zo erg. Wat voor Kohls coalitie betekent dat zij tussen twee vuren is beland: voor de opbouw van de vroegere DDR zal de komende jaren nog zeer veel geld nodig zijn, ook (en vaak: juist) overheidsgeld, maar de Westduitse belastingbetalers willen daarvan geen last hebben.

De rek in de begroting is bij de gigantische extra kosten praktisch verdwenen. Met zijn begin deze maand in de Bondsdag gepresenteerde begroting voor 1992 is minister Waigel (CSU, financiën) zeer op tenen gaan staan. Aan de uitgavenkant staat de wijzer op nu zo'n 20 miljard hoger dan dit jaar, namelijk bij 422,6 miljard (inclusief 55,4 miljard rente, alleen al op de staatsschuld, lagere overheden hebben hun eigen grote schulden en rentelasten), een kwart van de begrotingsuitgaven gaat naar Oost-Duitsland. Waigel moet een kleine 50 miljard extra lenen om zijn begroting te financieren en zelfs van dat enorme bedrag schoot de SPD-oppositie in de lach (omdat zij het onwerkelijk laag vindt en Waigel een geflatteerde begrotingsopzet verwijt).

Er is nog een zwaarwegende factor die, dat ontkennen ook specialisten uit de regeringscoalitie in Bonn niet, de soliditeit van de Duitse overheidsfinanciën kan gaan aantasten en daarmee ook de economische basis van de Bondsrepubliek. De kredieten, kredietengaranties en schenkingen aan Oost-Europa en de Sovjet-Unie hebben de afgelopen twee jaar zo'n recordhoogte bereikt dat zelfs Bonn naar adem begint te happen. Weliswaar is een groot deel van dat geld te beschouwen als politieke investering (de prijs aan Moskou voor de Duitse eenwording, “beloningen” voor Oosteuropese hervormingslanden). Of, in het geval van nieuwe kredieten en kredietgaranties, als zekerheid voor het Duitse bedrijfsleven, dat nog miljarden te vorderen heeft, maar toch.

Sinds 1989 is omstreeks 30 miljard mark rechtstreeks of via internationale organisaties naar Oost-Europa (zonder de Sovjet-Unie) gegaan, ruim een derde daarvan naar Polen. Onder meer, zoals het CDU-Bondsdaglid Austermann het bezorgd in een recente fractienotitie opsomde: 5,8 miljard kwijtschelding van Poolse schulden, 12,9 miljard kredietgaranties, 7,4 miljard compensatie voor verliezen van Oostduitse bedrijven op roebelvorderingen, 2,8 miljard aan Europese ontwikkelingsprogramma's en 1,7 miljard bijdrage aan het kapitaal van de Oosteuropese ontwikkelingsbank in Londen.

Voor de Sovjet-Unie komt het bedrag aan hulp en (gegarandeerde) particuliere- of overkredieten nu in de buurt van 60 miljard mark uit. Duitsland is met afstand de eerste financieel-economische hulp van Moskou. Voorbeeld: van de totale buitenlandse schuld van de Sovjet-Unie van 60 miljard dollar staat de helft uit bij particuliere banken. De vorderingen van Duitse banken, bijna steeds door Bonn gedekt, belopen 21,9 miljard, d.w.z. viermaal zoveel als de Franse banken, die met 5,6 miljard dollar op de tweede plaats van de banquaire schuldeisers staan. En tien maal zoveel als de Nederlandse banken (2,1) en zelfs twintigmaal zoveel als de Amerikaanse (0,5).

Kortom: hoe wijs of onwijs het ook mag zijn om op korte termijn veel geld in Oost-Europa en (vooral) de Sovjet-Unie te pompen, het was niet zo vreemd dat kanselier Kohl gisteren in Washington zijn pleidooi voor snelle royale hulp aan de Sovjet-Unie voorzag van de aantekening: nu moeten anderen voorgaan, want de Bondsrepubliek heeft de grens van haar mogelijkheden bereikt.