Vreemdelingenbeleid onder zware druk; "Identificatie en classificatie van personen bij het minderhedenbeleid is een groeiend probleem'

Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1989 doopte het minderhedenbeleid om tot allochtonenbeleid.

Dat betekende volgens sommigen meer dan alleen een verandering van terminologie. De nieuwe term weerspiegelt de vreemdelingenangst die is doorgedrongen van de oude wijken in de grote steden tot in het brein van beleidsmakers. “Allochtoon is het oude, onvriendelijke woord "buitenlander' in Grieks gewaad,” zo schreef het Surinaamse blad Kon Nawan in een reactie op het WRR-rapport. Feit is dat het tien jaar oude minderhedenbeleid in Nederland sinds enige tijd onder zware druk staat van de toestroom van migranten uit landen rond de Middellandse Zee en van de vrees voor een nog grotere vloed Oost-Europeanen. Beleidsambtenaren op het ministerie van justitie gaan er nog immer vanuit dat op termijn zo'n zes miljoen Russen om economische redenen naar West-Europa zullen vertrekken. Staatssecretaris Kosto (justitie) werd vorig jaar nog bekritiseerd toen hij dezelfde stelling poneerde.

Het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid publiceert vandaag cijfers die erop duiden dat vorig jaar zestig procent van de groei van de beroepsbevolking moet worden toeschreven aan immigratie: dat betekende bijna een verdubbeling ten opzichte van twee jaar daarvoor. Het zogeheten "migratiesaldo' (van personen tussen de 15 en 64 jaar) steeg van 26.000 in 1988 tot 46.000 in 1990. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat deze migranten deel uitmaken de “omvangrijke harde kern van werklozen” aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het WRR-rapport noemde in dat verband een cijfer van veertig procent en waarschuwde voor het ontstaan van een “etnisch subproletariaat”.

Dat schrikbeeld heeft ervoor gezorgd dat de beleidsinspanningen gericht op integratie van “medelanders” (regeringsstandpunt WWR-rapport) zich lijken te verplaatsen naar het beperken van de instroom van nieuwe migranten. Waarbij de verontrusting vergroot wordt, omdat het hierbij vooral gaat om migranten die illegaal in het land verblijven en dus niet zichtbaar zijn in enige overheidsstatistiek.

In het verlengde van de discussies in het Nederlandse parlement enige weken geleden over de wijziging van het asielbeleid bepleitte staatssecretaris Kosto vandaag tijdens de vierde Europese ministersconferentie over migratiezaken in Luxemburg internationale samenwerking bij het stroomlijnen van de grensbewaking en bij het uitzetten van illegale vreemdelingen. Ook bepleitte Kosto uniform Europees optreden tegen “de verstrekking van collectieve voorzieningen aan illegalen”, en tegen malafide tussenpersonen en werkgevers die illegalen in dienst nemen.

De toonzetting van de discussie over de integratie van vreemdelingen ondergaat in het voetspoor van het WRR-rapport, waarin erop gewezen werd dat leden van minderheidsgroepen behalve rechten ook plichten hebben, een belangrijke wijziging. Zo noemde Kosto vandaag in Luxemburg integratie “een morele plicht” voor vreemdelingen. En minister Dales (binnenlandse zaken), die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het minderhedenbeleid, schrijft in de memorie van toelichting op haar begroting: “Van leden van minderheidsgroepen mag worden verlangd dat zij zich actief op de hoogte stellen van de plichten die burgers in dit land hebben, dat zij die ook naleven, en dat zij daarnaast alles in het werk stellen om zich hier een goede toekomst op te bouwen.” En waarschuwend voegt zij eraan toe: “Indien zo'n houding en dergelijke inzet ontbreken, is een beleid dat voorwaarden schept voor sociale integratie van etnische minderheden, bij voorbaat tot mislukken gedoemd.”

De opsplitsing tussen integratiebeleid en toelatingsbeleid is terug te vinden in de Rijksbegroting voor 1992: circa 870 miljoen gulden is gereserveerd voor integratiebeleid, terwijl met het toelatingsbeleid (de asielzoekersproblematiek) rekening wordt gehouden met een post van ongeveer 800 miljoen gulden (uitgaande van een instroom van 20.000 asielzoekers). Bij elkaar een fors bedrag, maar toch een kleinigheid op een totale begroting van 200 miljard. Zeker gezien het feit dat het kabinet het “allochtonenvraagstuk” beschouwt als “een van de kernproblemen van het decennium” (regeringsstandpunt WRR-rapport).

Het integratiebeleid van de verschillende departementen lijkt in eerste instantie voort te bouwen op het minderhedenbeleid van de jaren tachtig. Dat betekent een accent op scholing, werkgelegenheid en huisvesting. Minister Ritzen (onderwijs en wetenschappen) schrijft in zijn memorie van toelichting: “De tweedeling in de samenleving loopt steeds vaker langs de scheidslijn allochtoon-autochtoon. Onderwijs moet als eerste een antwoord formuleren op de eisen die een multi-culturele samenleving stelt.” Zijn departement draait dan ook op voor het leeuwedeel van de kosten: 528 miljoen. Zeventig procent van dit budget is bedoeld voor taalonderwijs, waarbij het onderwijs in de eigen taal vooral dient ter ondersteuning van het begrip van het Nederlands.

De minister van sociale zaken spreekt in zijn memorie van toelichting over “de forse inspanningen” die “op vele terreinen” moeten worden geleverd om immigranten aan werk te helpen, en zijn ambtgenoot van Volkshuisvesting meldt dat een “lichte verhoging” van het woningbouwprogramma noodzakelijk is als gevolg van de instroom van gedoogden. Volgend jaar gaat het om honderd extra woningen, tot 1996 in totaal om 3.400 woningen.

Dat er niettemin een koerswijziging gaande is, blijkt bijvoorbeeld uit de ontmanteling van de Directie hoofdlijnen minderhedenbeleid van het ministerie van binnenlandse zaken. Directeur drs. H.A.A. Molleman, auteur van de eerste nota Minderhedenbeleid in 1983, werd weggepromoveerd naar een post in Brussel. De afdelingen interne- en externe coördinatie werden geschrapt. De coördinatie van het minderhedenbeleid is op andere leest geschoeid, schrijft minister Dales in haar memorie van toelichting. Het accent zal vanaf heden liggen op “versterking van de rechtspositie van leden van minderheidsgroepen”. In de dit voorjaar verschenen nota over dit onderwerp wordt een “sterke rechtspositie” bestempeld tot “middel tot integratie”. Volgens de redenering van Binnenlandse Zaken zullen vreemdelingen met een betere rechtspositie zichzelf eerder zien als volwaardig lid van de samenleving. En wat belangrijker is: “Andersom geldt evenwel ook dat dan een zekere mate van integratie verwacht mag worden van de betrokkenen. De Nederlandse samenleving kent zijn eigen spelregels, die voor iedere ingezetene gelden.” Want dat is de andere kant van de medaille: als een vreemdeling zich isoleert kan dat leiden tot “marginalisering” en normafwijkend gedrag. Zo kan hij uiteindelijk belanden bij de strafrechter en dat heeft dan weer “directe gevolgen voor het verblijfsrecht van de betrokkene”. Het door de WRR gekraakte op welzijn gerichte minderhedenbeleid, wordt gejuridificeerd.

In dat licht dienen ook de eveneens dit voorjaar gepresenteerde plannen te worden gezien om de registratie van etnische minderheden in “diverse administraties” te verbeteren. Overwogen wordt om een "etniciteitsgegeven' (informatie over ras, huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming) op te nemen in de bevolkingsadministraties. “Een volkstelling zou handiger zijn, maar dat wordt niet overwogen,” zei de nieuwe directeur hoofdlijnen minderhedenbeleid, mr. H.K. Fernandes Mendes in juli bij de presentatie van de plannen. Zo'n "etniciteitsgegeven' zou nodig zijn omdat “identificatie en classificatie van personen uit de doelgroepen van het minderhedenbeleid een groeiend probleem is”. Via de gangbare identificatiecriteria (nationaliteit, geboorteland persoon en geboorteland ouders) zijn nu al enkele doelgroepen “statistisch onzichtbaar”. Hierbij gaat het om Molukkers, woonwagenbewoners, zigeuners en vluchtelingen. Bovendien wordt gevreesd dat derde en volgende generaties van alle doelgroepen van het minderhedenbeleid niet meer in statistieken traceerbaar zullen zijn. En dat is nodig om bijvoorbeeld de effecten van het minderhedenbeleid te kunnen meten. De problemen moeten beheersbaar en overzichtelijk worden.